|
De Evangelische Jozua
Eeen poging tot aanwijzing
van den oorsprong des Christendoms
Door
G.J.P.J. Bolland
Hoogleerar der Wijsbegeerte te Leiden
Leiden
1907
3
Omtrent het begin onzer jaartelling hebben Joden en
Jodengenooten te Alexandrië en elders rondom de Middellandse
Zee in het wereldburgerlijke Grieksch van die dagen aan een
door ‘Mozes’ geboekt woord in Gen. 49: 18 tot den uitroep
kunnen komen: „ Op uve verlossing wacht ik, o Heer!“
En in Num.
13 : 17
konde men dan zien, dat Ausees de zoon van Nauee door den
heiligen
man Moses
Ieesoûs
of Jezus was genoemd. Philo de Jood van Alexandrië schrijft
naar aanleiding van dien in § 21 zijner verhandeling over
naamsveranderingen: „Ieesoûs
beteekent des Heeren verlossing, een naam voor
den best mogelijken inborst.“ En in § 3 van een opstel over
mensohlievendheid zegt hij: „Toen als Mozes’ beste leerling
en als navolger van diens beminnelijken inborst door
goddelijke kenteekenen als leider Ieesoûs was
aange- wezen, is Moses (dan ook) niet, zooals sommigen
zouden“ geweest zijn, daarover ternedergeslagen geweest,
omdat niet eigene zonen waren uitverkoren, maar was hij
vervuld van onbedwongene
4
vreugde, omdat het volk nu stond bestuurd te worden door
iemand, die in alle opzichten uitstekend was.“ Gedachtig aan
Gen. 49:18 maakt hij in § 27 van zijn geschrift over den
landbouw de opmerking, dat de heilige schrijver daar de
verwachting van Gods verlossing laat uitspreken; dat het
gemakkelijker is voor God om mensch, dan voor een mensch om
god te worden, spreekt hij uit in zijn verhaal van ‘het
gezantschap naar Gaius’ (§ 16) en in eene verhandeling over
ingegevene droomen (1 : 41) zegt hij onder meer, dat God de
gedaante eens menschen wel eens aanneemt, om hun, die tot
hem gebeden hebben, te hulp te komen.
Mozes had het volk van God nog niet mogen brengen, waar het
eigenlijk komen moest
;
daartoe was eerst
Ieesoûs de
rechte leidsman gebleken. Of moest deze in Philo’s dagen nog
komen
:
had Gods volk hem van God
als „mensch
uit den hemel“
(1
Kor.
15:47)
eigenlijk nog te verwachten
?
„Want had
Ieesoûs,“
zegt de Alexandrijnsche schrijver aan de Hebreeën
(4 : 8),
„hen in de rust gebracht, hij hadde niet daarna van een
anderen dag gesproken!“
Met dezen dag is vanzelf de door de Profeten
(‘Amos 5:18
en elders) aangekondigde
dag des Heeren
bedoeld, die tot in Openb.
22 : 20
nog verwacht wordt en zelfs in Jez.
49 : 22—23
aan het volk
5
van Jahwe als een dag van zeer ‘nationale’ bevrediging was
voorgespiegeld. Onze Statenvertalers zeggen bij Hebr. 4, 8 :
„Hoewel het land Kanaän voor de Israëlieten óók eene
rustplaats was, was daarin toch hun opperste goed niet
gelegen; het was van deze uiterste en geestelijke rust
slechts eene schaduw en zij moesten daarom ook naarstigheid
betoonen, om daartoe te komen door het geloof.“ Anders
gezegd, waar Gods volk nog komen moest, moest het komen in
den geest en het moest er gebracht worden in den geest. Tot
Moses had de Kyrios gezegd : „Ik zal uit het midden hunner
broederen eenen profeet verwekken, zooals gij zijt ; in
zijnen mond zal ik mijne woorden leggen.“ (Dt. 18: 18; vgl.
Hd. 7:37.) Was de Ieesoûs van het Joodsche schriftverhaal
van die aankondiging bereids de vervulling geweest, of was
hij misschien slechts tééken geweest en vóórbode, voorteeken
van den wáren Jesus of Josua, den Josua, die Gods volk de
rechte verlossing nog had te brengen? „Gij zult hem
Ieesoûs
noemen,“ schrijft de eerste onzer evangelisten (Matth. 1 :
21), „want hij zalzijn volk verlossen van hunne zonden“
en ofschoon hij uit het Joodsche land afkomstig is, gaat
dan de evangelische Josua tot doorleving van zijn eersten
wasdom naar Aegypte, om als verlossing brengende ‘Zoon des
Vaders’ van daar uit het land van
6
‘het volk des Heeren’ weder in te gaan. Dat aan den
mosaischen Josua of Ieesoûs de evangelische Ieesoûs of Jezus
het ware is, beweert de vierde onzer evangelisten (Joh. 5 :
46), waar hij Ieesoûs o. m. laat zeggen: „Indien gij Moses
geloofdet, zoudt gij mij gelooven, want die heeft van mij
geschreven.“ „Waaruit men ziet,“ zeggen bij Hd. 7 : 45 de
Statenvertalers, „dat de namen Jozua en Jezus eenerlei namen
zijn.“Het is dan ook schriftverduistering, wanneer de
synodale vertalers van 1866, in Hand. 7:45 en Hebr. 4:8
Jozua te lezen geven, alsof de Jozua van het Oude
Verbond in Alexandrijnsche overzetting en de Jezus van het
Nieuwe in den Hellenistischen grondtext verschillende namen
droegen; deze schriftverduistering houdt nog verband met de
algemééne verduistering van den Hellenistischen achtergrond
des Christendoms door de Hervorming, die den grondtext der
Joodsche schriften naar voren heeft doen komen en daardoor
over het voorchristelijke Jodendom en zijnen oorsprong het
licht der ware geschiedenis heeft doen opgaan, doch tevens
van de Septuagint in het bijzonder en het voorchristelijke
Joodsche Hellenisme in het algemeen den blik zoozeer heeft
doen afwenden, dat de aan onze hoogescholen opgeleide
predikanten de schriften der Synagoge beter verstaan dan die
der Ecclesia en in het al-
7
gemeen het ware geschiedkundige besef omtrent den oorsprong
des Christendoms eigenlijk nu nog eerst te ontwaken heeft.
De naam Jezus is de naam Ieesoûs en de naam Ieesoûs is de
naam Jozua, zooals om te beginnen de Alexandrijnsche
overzetters der Joodsche schriften dien gebezigd hebben; dat
voorts ook de evangelische Jozua met Aegypte in het algemeen
en Alexandrië in het bijzonder iets te maken heeft, valt op
te maken uit het bericht bijvoorbeeld, dat Apollo(nio)s van
Alexandrië, ervaren in de schriften en in den weg des Heeren
onderwezen, nauwkeurig over Ieesoûs heeft geleerd, eer hij
iets meer dan den doop van Johannes kende (Hd. 18 : 25), een
schriftgegeven, dat dan de Statenvertalers van hunne zijde
verduisteren, doordat zij niet Jezus maar ‘de zaken des
Heeren’ te lezen geven. In de ‘revue d’histoire et de
littérature religieuses’ van dit jaar
(12:2,
bl.
172)
schrijft
Alfred
Loisy: „Il faut avouer que le cas d’Apollos, qui était
‘instruit dans la voie du Seigneur’ et ‘enseignait
exactement les choses de Jésus’ töut en ‘ne connaissant que
Ie baptême de Jean’, est au moins singulier. Les
explications des commentateurs sont peu satisfaisantes.
L’hypothèse d’une altération dans le
texte
est trop commode et peut paraltre invraisemblable.
Reste à
supposer que les conditions et les formes de
8
l’évangélisation
primitives
ont été plus complexes et plus variées qu’on ne l’admet
communément.“ Er is echter meer in begrepen of te begrijpen;
er ligt al aanstonds in, dat een Alexandrijnsche Jood of
Jodengenoot van de eerste eeuw zijn voorjesuaanschen Jezus
heeft gehad als eene gestalte van de verbeelding, waarin het
oude Mozaïsme niet meer voldeed. Feitelijk beantwoordt de
evangelische Ieesoûs op zijne wijze aan de naamsverklaring,
die door den Alexandrijnschen Philo min zuiver was te pas
gebracht aan eenen opvolger van Moses, die ook bij hem
Ieesoûs heette; „hij heeft velen verlost“ zegt van
den evangelischen Jozua de alexandrinizeerende schrijver van
2 Clem. 2:7. En zoude die verlossing aan den dooper Johannes
als aan een laatsten ‘Mozaïschen’ voorlooper van het
Evangelie ook ‘geestelijk Jozuaansch’ kunnenzijn
vastgehecht? Volgens het Evangelie zelf (Lk. 16; 16, Just.
Dial. 51), dat dan echter door eene judaïzeerende hand in
Mt. 11:12—14 is verduisterd, hebben wet en profeten, dat is
de Joodsche godsdienst, tot op Johannes gegolden en wordt
sedert dien het ware Godsrijk verkondigd; volgens Joh. 1:17
is de wet door Mozes gegeven, doch eerst door Jezus Christus
de Genade en de Waarheid gekomen. Die Christus evenwel is
reeds in Mt.
18 : 20
bijv. de géést die in de zijnen
herrscht;
in
2
Clem.
9: 5
lezen wij, dat de ons verlossende Christus een vleeschelijk
geworden Geest is en
9
in
2
Clem.
14:2
blijkt als diens lichaam de gemeente te worden beschouwd.
Johannes de
Dooper is iemand, die wel afzonderlijk in het vleesch zal
geleefd hebben;
is het zelfde te zeggen van den Nacoreeschen en evangelischen
Jozua?
„Wat
zegt weer Moses tot Ieesoûs den zoon van Nauee, nadat hij
dien als profeet dezen naam had gegeven, alleen opdat
het heele volk mocht hooren, dat de Vader omtrent den
zoon Ieesoûs alles openbaart?“Aldus de Alexandrijnsche
schrijver van Barn. 12: 8 en wat men hier wel mag vragen
is dit: of de in het Mozaïsme voorspelde en bereids
geopenbaarde ‘Jesus’, de van den Vader geopenbaarde
zoon Jozua, ooit ergens buiten den geest van anderen, of
anders dan als de geest van anderen, om te beginnen van
allegorizeerende en allegoresen wederom
historizeerende Alexandrijnen, geleefd heeft. „Bedenkt
eens,“ zegt omtrent het jaar 160 onzer telling Justinus
Martyr in § 75 van zijn gesprek met den jood Tryphoon,
„wie uwe vaderen het land heeft ingeleid:
is het niet juist dezelfde, die den naam
Ieesous ontving, nadat hij eerst Ausees had geheeten?
Wanneer gij hierop leert letten, zult gij ook
leeren
beseffen, dat degene, die tot
10
Moses gezegd heeft 'mijn naam is in hem', Ieesoûs zelf
geweest is." (Vgl. Ex. 23:20—21). „Gij vraagt niet,"
zegt hij in § 113 van hetzelfde geschrift, „waarom de van
den vader afkomstige naam bij den zoon van Nauee Ausees in
den naam van Ieesoûs veranderd is!"... Moest niet,
evenals deze onder de met hem binnentrekkenden het land door
het lot verdeelde, ook Ieesoûs Christòs het
verstrooide volk terugbrengen en onder hetzelve het goede
land verdeelen?" Clemens Alexandrinus loeft in dezelfde
overtuiging: „Een profeet, zeide Moses, zal God ulieden
verwekken zooals ik ben, uit uwe broederen, met Ieesoûs den
zoon van Nauee den zoon Gods aanduidende; eene
afschaduwing namelijk van den Heer is in de Wet de
vooraf verkondigde naam Ieesoûs geweest." (Paedag. 1:
7). En ook Tertulliaan bericht in zijn werk tegen Marcion (3
: 16) : „Toen als opvolger van Moses Auses de zoon
van Nave werd aangewezen, werd zijn vroegere naam op zijde
gezet en begon hij Jesus te heeten; en wij om te
beginnen beweren, dat dit een
11
voorteeken van den toekomatigen is geweest." Eusebius, om
nog iemand anders te noemen, beweert in zijne
Kerkgeschiedenis (1: 3, 4), dat Ieesoûs de zoon van
Nauee van omen Verlosser 'het beeld heeft gedragen',
anders gezegd, dat de naam, dien hij heeft gedragen, een
voorteeken
van
den
evangelischen Ieesoûs
is geweest, zoodat het
ons niet behoeft te verwonderen, dat de waardigheden,
die Philo Judaeus Alexandrinus
in zijn Leven van Moses
(2 : 28)
als ambten van
den voorman des Jodendoms had opgesomd, door
den oudsten schrijver eener 'Kerkgeschiedenis'
(1 :3, 8)
als ambten van den Christus worden
genoemd.
Wat aan dit alles geschiedkundig mag heeten
vast te staan, is het dubbele feit, dat in de
eerste eeuw onzer jaartelling de Jozua der Joodsche
schriften, in verband met eene verlossing des
Jodendoms, in het
Grieksch van de Alexandrijnen
en anderen besproken is
als
Ieesoûs, en
dat dan
in de tweede eeuw als de ware opvolger van
Moses
'evangelisch' een metterdaad verschenen
Ieesoûs
is verkondigde „Romeinsche mannen,” zoo
laat men in de 'Clementijnsche' Petrushomiliën iemand in het
openbaar te Rome uitroepen, „Romeinsche
mannen, luistert! De Zoon van God is verschenen in
Judœa,
eeuwig leven aankondigende
aan allen die willen, indien zjj naar den zin van den Vader
zijnen zender hun leven inrichten.”
(Hom. 1: 7.) Dat was een
evangelion, eene blijde
boodschap voor vele
gemoederen van die dagen,
al was het niet praecies
datgene, wat volgens Josephus (J. Oorl. 6 :5, 4),
Suetonius (Vesp. 4)
12
en Tacitus (Hist. 5:13) de Palestijnsche Joden der eerste
eeuw hebben verwacht en wat de Joden volgens hun gebedenboek
nóg verwachten. De Targoem van Jonathan weliswaar vertolkt
Jes.
52 :13—53 :12
als ware daarin sprake van ‘s
Heeren
Gezalfde. Doch de Christòs van de Joodsche volksverwachting
is toch een wrekend koning geweest en wat is nu de
evangelische Józua als Gezalfde: wat is de christòs Ieesoûs?
„Christòs heet hij,“ zegt Justinus Martyr (Apol. 2: 6),
„omdat God door hem alles heeft ‘gezalfd’ en geordend — een
naam die weer eene ongekende beteekenis inhoudt.“ Daar
schijnt wel iets meer in na te klinken dan datgene, wat er
zoo onmiddellijk van te begrijpen is en de ‘zalving’ tot
evangelizeering der armen, waarvan in Lk. 4: 18 sprake is,
alsmede de ‘zalving’ met heiligen geest, die in Hd. 10:38
wordt vermeld, zijn evenzoovele aanleidingen om het
‘Messiaansche’ van den evangelischen Jozua schriftuurlijk
Joodsch uit een ander dan ‘koninklijk’ punt van uitgang af
te leiden. Nu wordt in de Alexandrijnsche overzetting van
Zach. 3 :1—6 een hoogepriesterlijke Ieesoûs in den
tweevoudigen staat van vernedering en verheerlijking gezien
en van dezen Jozua zeggen nog onze Statenvertalers: „Hij
wordt hier gesteld als een beeld der Kerk, dewijl
13
hij te dier tijd als de voornaamste opziener of voorstander
ervan op aarde geweest is, zijnde hoogepriester; doch
anderszins, ten aanzien dat hij het volk uit de Babylonische
gevangenis geleid en den tempel herbouwd heeft en
hoogepriester was, is hij ook geweest een voorbeeld van
Jezus Christus, in den naam en in de daad.“ Feitelijk
wordt in Lev.
4:3. 5. 16
en
6:22
de Joodere hoogepriester christòs
genoemd.
En Philo van Alexandrië schrijft weer: „De hoogepriester
treedt op als voorbidder van hen, die gezondigd hebben.“ (L.
A.
3: 26.)
„De waarachtige hogepriester heeft aan zonden geen deel.“
(De an. sacr. idon. 10.) „Wij beweren, dat de
hoogepriester geen mensch maar goddelijke Logos is,
zonder deel niet enkel aan opzettelijke maar ook aan
onwillekeurige ongerechtigheden.“ (De Prof.
20.)
„Een grenswezen Gods, minder dan deze, doch meer dan een
mensch.“ (De
Somn.
2 : 28.)
„Niet ongeboren gelijk God en niet geboren zooals
gijlieden.“
(Qu. rer. div. her. 42.) „Aan de grensscheiding staat de —
édele, zoo dat hij eigenlijk gezegd niet God en niet mensch
is, maar de uiteinden raakt, door zijne menschelijkheid van
sterfelijk, door zijne deugd van onsterfelijk geslacht.“ (De
Somn. 2 : 34.) „De wijze, die naar het vergankelijke leven
dood schijnt, leeft naar het onvergankelijke voort.“ (Qu.
det. pot.
ins. 15.)
„Hoewel
14
bestaande, is hij aan ons onwaardigen verborgen gebleven.“
(De Mut. Nom. 4.) „Grooten spoed vermocht de geest te toon
en toen hij uit het lichamelijke land van Aegypte vluchtte
en het erfdeel der deugd binnen drie dagen vermocht te
ontvangen in een drievoudig licht van herinnering,
helderziendheid en verwachting.“ (De migr. Abr. 28.) „Moses
is van hier vertrokken, om ten hemel te varen en met
achterlating van het sterfelijke leven onsterfelijk te
worden, teruggeroepen door den Vader, die hem uit
zijne tweevoudigheid van lichaam en ziel in een enkelvoudig
wezen ging verkeeren, om hem geheel te veranderen in eenen
geest, der zon gelijk.“
(V.
M.
3: 39.)
„Laat ons bidden, dat de hogepriester moge leven in onze
ziel!“
(De Prof. 21.) „Laat ons bidden, dat in het menselijke
geslacht de rechtvaardige moge voortduren tot genezing
van kwalen; zoolang hij gezond blijft, behoeven wij aan
volmaakte verlossing niet te wanhopen; en door
hem, hoop ik, zal nog eens God de Zaligmaker het allers
genezend heilmiddel, de kracht zijner genade, aan wie hem
bidden en hem dienen doen geworden, met het gebod, dat
men ze aanwende tot heil der kranken en zalving van de
wonden der ziel, die door de verdwaasdheden en de
ongerechtigheden en de overige menigte van euvelen in hunne
verscherping aan
15
haar zijn opengegaan.“ (De migr. Abr. 22.) Volgens Gal. 3:19
is in de hand eens middelaars de Wet gesteld en volgens 1
Tim. 2:5 is de eenige of ware middelaar tusschen God en
menschen de mensch christus
Jezus. Anders gezegd, de evangelische Josua is als
‘gezalfde’ allereerst middelaar, een hoogepriesterlijk
opvolger van Mozes, de ware ‘zoon’ van den Vader, die reeds
Mozes ten hemel had doen varen, de hoogere verwerkelijking
van het goddelijk menselijke, dat reeds Philo door de
nevelen had gezien. Wie met de geschiedenis der oude
wijsbegeerte vertrouwd is, heeft wel bespeurd, dat door de
Philonische gedachte aan het in een menschelijken middelaar
verzinnelijkte redelijke, het geest en natuur, het God en
mensch vereenigende Logische, zoo iets als de Stoïcijnsche
idee van den voor de wereld zoo onontbeerlijken Wijze
heeft heengespeeld, den Wijze, in wien de spermatische logos
of redekiem, die in het enkel stoffelijke niet ontluikt en
zich ook in het zielige nog slecht ontwikkelt, tot vollen
wasdom is gekomen, al is juist hierom de god-menschelijke
Wijs eigenlijk... nergens. Dat alleen de wijzen
‘priesters’, d. w. z. middelaars tusschen den
goddelijken geest en de zielige
menschen
zijn, had
Zeno van Citium beweerd. „Maar wie nu
wijzen
16
zijn of zijn geweest,“ zegt van de Stoïcijnen Cicero (Acad.
2 : 47), „dat plegen zij zelven“ niet te zeggen.“ En Seneca
(de Tr. An. 7:4) vraagt : „Waar zal men hem vinden, dien
wij al zoovele eeuwen zoeken?“ Inmiddels had Philo van
als symbool van het tusschen alles bemiddelende, het alles
verzoenende en vereenigende Logische den ‘Mozaïschen’
hoogepriester voorgesteld en als Jood de wijsheid in
‘godsvrucht’ omzettende, het zuivere of reine en zondenlooze
redelijke in een even weinig ergens aangetroffen heilige
gedacht; „algeheele zondeloosheid“, zegt hij bij
gelegenheid (de Poen. 1), „is eigen aan God en dan
allicht nog aan een goddelijk mensch.“ Zoo zweeft de
Philonische rede heen en weer tusschen een waarneembaren
hoogepriester, die het goddelijke Redelijke beteekent en het
Redelijke, dat zich in een onvindbaren wijzen en zondeloozen
mensch heeft verwerkelijkt; „daarom, heilige broeders,
deelgenooten eener hemelsche roeping, let op den gezant
en hoogepriester onzer belijdenis Ieesoûs, die getrouw
is aan dengenen, die hem heeft aangesteld, evenals Moses het
was in geheel zijn huis.“ Aldus de Alexandrijnsche
schrijver van Hebr 3 :1—2. Dat deze hoogepriesterlijke
Jozua niet de koninklijke Jodenwreker zal blijken, naar wien
men in het Joodsche land uitzag, wordt naar luid van het
Evangelie zelf
17
in de Synagoge van den beginne doorzien,
inzooverre de onreine geest van het razende Messianisme bij
zijne binnenkomst uitroept: „Zijt gij gekomen om ons te
verderven? Ik weet wie ge zijt: de heilige Gods!“
(Marc. 1:24.)
Dat Stoïcijnen en Christenen in veel opzichten
overeenstemden, is eene bekende opmerking van Hiëronymus. En
men mag wel vragen of ‘de Heilige’ van het Evangelie ooit
persoonlijker is geweest dan ‘de Wijze’ van de Stoa. Dat
‘Christus’ onder de regeering van Tiberius (14—37)
door den procurator Pontius Pilatus met den dood gestraft
is, schijnt omtrent 110 Tacitus te zeggen in Ann. 15 :
44, eene plaats, die echter onder zware verdenking ligt van
interpolatie; het eenigehandschrift, waarin zij te lezen
staat, is de codex Mediceus II, die door Cosimo († 1464) in
1444 aan zijne boekerij is toegevoegd en tusschen 1053-1087
in Monte Casino is geschreven. De Franschman Hochart moet
van het betrokkene hoofdstuk in 1884 hebben gezegd: „Ce
chapitre renferme dans ses énonciations presque autant de
difficultés inexplicables que des mots“ (‘Annales de la
faculté des lettres de Bordeaux’ No. 2) en het jaar daarop
moet hij in ‘Études au sujet de la persécution des Chrétiens
sous Néron’ (Parix Leroux 1885) betoogd hebben, dat de
plaats geïnterpoleerd is; dat het
18
handschrift veelvuldig geïnterpöleerd is, constateert o. a.
ook F. Arnold op blz. 8 van eene brochure over de Neronische
Christenvervolging, die in 1888 is verschenen. Hier zij
daaromtrent alleen dit opgemerkt, dat de bevoegdheid van
eenen procurator tot het uitspreken van een doodvonnis
nergens elders blijkt, dat Seneca Josephus Plutarchus
Clemens Alexandrinus van de geheele Neronische
Christenvervolging nog niet gewagen, en dat bij
vooronderstelling van de Taciteïsche authentie der opmerking
omtrent het ‘supplicium Christi’ nog slechts een ‘on dit’
van het begin der tweede eeuw te erkennen valt. Zegt later
in die tweede eeuw de Alexandrijnsche Clemens in het vierde
boek zijner Mengelingen, dat allicht nog nooit een mensch,
zoolang hij nog mensch was, in alle opzichten volmaakt is
geweest, uitgezonderd alleen degene, die om on de
menschelijkheid had aangedaan, dan mag het zeer de vraag
heeten, of de daarmede bedoelde menselijkheid van den
evangelischen Jozua ooit menschelijker gesproken en
gehandeld heeft dan de logos of rede der Hermetisch
Alexandrijnsche geschriften, of de Kennis des Levens, die
gestalte heeft aangenomen in de verbeelding der Mandeëën aan
den Euphraat. Clemens zelf zegt in het eerste boek der
Mengelingen: „De wijsbegeerte weggedacht, dan ljkt de
19
bedeeling omtrent den Verlosser wel een sprookje.“
Tegen het einde der eerste eeuw heeft men alvast te
Alexandrië heel wat ‘profetisch’ kunnen weten, wat eigenlijk
bij wijze van schriftuitlegging achterna bedacht was.
„In ieder edel mensch,“ zegt Philo in een opstel over
de vraag wie het goddelijke beërft (§ B2), „betuigt de
heilige Logos profetie; want een profeet zegt niets uit
zichzelven, maar al hetgeen hij zegt is van elders
ingegeven.“ Zoo heette dan bij schriftuitleggingen een,
zooals wij zouden zeggen, geniaal gevonden inval ingegeven
door den Geest, den ‘profetischen’ Geest. „Wanneer,“ zegt
bijv. de oorspronkelijk Alexandrijnsche Herder van
den Romeinschen Hermas (Geboden 11: 9), de mensch,
die den goddelijken geest heeft, in eene synagoge
komt van rechtvaardige mannen, die van den goddelijken
geest gelóóf hebben en er geschiedt in de synagoge
een gebed tot God, dan vervult de engel van den
profetischen geest, die op hem rust, gezegden mensch en
vervuld van den heiligen geest spreekt de mensch tot
de menigte, zooals de Heer het wil.” Nu zijn onze heilige
schrijvers „broeders, die het getuigenis van Jeesoûs hebben“
(Openb.
12:17)
en “de getuigenis van Jeesoûs is de geest der profetie.“
(Openb.
19:10.)
Anders gezegd Jeesoûs openbaart, en in den naam van Jeesoûs
openbaren onze gewijde
20
schrijvers, den waren zin der schriften; „zonder schrift
beweren wij niets“ erkent Petros, die ‘Rots’ van eenen
zegsman, volgens den Alexandrijnschen
Clemens (Strom. 6:5)
in zijne Alexandrijnsche Prediking en wij weten das wat wij
te denken hebben, wanneer de woorden en daden, het lijden,
het sterven en de opstanding van
den evangelischen
Jozua aan plaatsen in de Joodsche schriften worden
vastgeknoopt. Het Evangelie is uit de Joodsche schriften te
halen; „dat heeft ons de heilige profetische geest
geleerd,“ zegt bij gelegenheid in zijne groote pleitrede
(Apol. 1:44) midden in de tweede eeuw Justinus Martyr en wij
voor ons hebben voortaan te bedenken, niet alleen dat de
heilige geest van Mt 1:18 een ‘profetische’ geest is, maar
dat die geest van ‘profetie’ uit de Joodsche schriften
doorloopend woorden en daden kan hebben opgeroepen, die ons
als heilsfeiten van het Evangelie nog altoos vermogen aan te
doen, zonder dat de gestalte van den evangelischen Jozua
ooit iets anders dan verdichting van Alexandrijnsche
allegorese, historizeering van Joodsche gnosis is geweest.
De evangelische Jozua
wordt geboren uit eenen geest der profetie, die ook Openb.
12: 1—2. 5 heeft ingegeven; hij wordt geboren uit eene
maagd, die (op de wijze van de jonkvrouwelijke
Sionsdochter in 2 Kon. 19:21) wel
21
niemand anders zijn zal dan de Joodsche natie in persoon,
hoewel de Joodsche maagd van het Evangelie haar eigen naam
heeft. Zij heet echter niet Judith, zooals men (bijv. aan de
Judith van het bekende Joodsche verhaal of aan Juda den...
verrader denkende) allicht zoude meenen te hebben mogen
verwachten, maar Marjáám, Maria, om den samenhang van het
evangelische Josuanisme met het Mosaïsme te verbeelden; men
bedenke hier, dat er tusschen de Alexandrijnsche lezing
Mariàm van Num. 26 : 59 en het Hellenistische Mariàm van Mt
1 :20 nog geen zichtbaar verschil is en eerst de latere
Massorethische uitspraak ‘Mirjaam’ bij vergelijking met onze
uitspraak van den naam Maria de zuster van Mozes schijnbaar
anders doet heeten dan de moeder van den evangelischen
Jozua. Zoo is deze dan uit de Mozaïsche maagschap en zijne
moeder als de vrouw, die om verlevendiging der oude Joodsche
samenkomsten vraagt (Joh. 2 : 4), juist de moeder met wie de
zoon niet in overleg vermag te handelen (Joh. 2:4), als hij
tóch het krachtelooze water der Joodsche reinigingen (Joh.
2:6) in den geestrijken wijn van het Chrestelijke feestmaal
(Joh. 2:10) verkeert. Eigenlijk was het voor den Kruisdood
(Joh. 2 : 4) aan zoo iets heelemaal nog niet toe en is
daarom het wijnwonder ook slechts
22
het zinnebeeldige vóórteeken van den geest, die er zoude
komen over hen, die Jezus als ‘Gekruisigde’ zouden
verheerlijken (Joh. 7:39); dat de moeder zelve van dien
Gekruisigde geene verschijning heet te hebben gehad, wil
almede zeggen, dat het verband tusschen Jodendom en
Christendom, tusschen Mosaïsme en Jesuanisme, een verband is
tusschen verwanten, die zich van elkander moesten
vervreemden.
„Noch besnijdenis is iets noch onbesnedenheid,“ leert de
schrijver van Gal.
6 : 15,
„maar een nieuw schepsel.“ En in Mr 1: 27 zegt de Joodse
schare, wanneer de evangelische Jozua den onreinen geest
(van het razende Messianisme) in de synagoge bevolen heeft,
den ‘bezetene’ te verlaten, — bij de verschijning van den
waren Jozua in de synagoge zegt de Mozaïsche schare: „.Wat
is dat? Eene nieuwe leer! „De nieuwe wet van onzen
Heer Ieesoûs Christos!“ verklaart de Alexandrijnsche
schrijver van Barn.2:6, evenals de Rootsman van het
Alexandrijnsche Kerygma ons beduidt, dat wat hij en zijne
medestanders ‘overleveren’, de bekeerden op nieuwe wijze God
door den Christus zal doen vereeren.(Clem.Alex.Strom.
6:5.)Die niéuwe Godsvereering is de vereering van den
(liefderjjken) Vader in plaats van den (rechtvaardigen)
Heer, de vereering van den Vader, die zich in den
23
Zoon, den voorbeeldelijken Zoon, als ‘chreestelijk heeft
geopenbaard, — waarin dan is begrepen, dat het Evangelie
als blijde boodschap, dat de verlosser des Jodendoms
verschenen is, van de eene zijde principieel een quidproquo
heeft te heeten. „C’est sous le symbole du règne de Dieu,“
zegt op blz.
132—133
van het voortreffelijke werkje ‘autour d’un petit livre’
weer
Alfred
Loisy, „qu’ Israël est accoutumé
à
se présenter l’avenir de la religion, de la société
religieuse et de l’homme religieux: Jésus annoncera le règne
de Dieu. C’ est sous le symbole du Messie qu’ Israël est
habitué a se
figurer
la révélation suprême de Dieu dans l’homme: Jésus
sera le Messie.“ Dit wil dan echter zeggen, dat wie het
Christendom heeft
leeren
begrijpen, een wereldbewegend en menschenberoerend of
ontroerend quidproquo heeft
leeren
begrijpen, een Hellenistisch quidproquo ten aanzien van een
Joodsch thema. Dat de verlosser des Jodendoms is verschenen,
moet zijn waar te maken met de Joodsche schriften in de
hand, die hem niet onmiddellijk en rechtstreeks kunnen
hebben ingehouden; als de ware Jozua of opvolger van Mozes,
als de niet wrekende maar verzoenende verlossing brengende
leider, de herderlijke lijder en leider, die Gods volk,
„dit nieuwe geslacht of bedrijf,“
24
zooals misschien Aristides in een schrijven aan Diogneet het
heeft uitgedrukt, ‘vereenigend’ te brengen heeft waar het
komen moest, heeft de evangelische Heiland den geest, of is
hij als
swth.r
de geest, van de schriftuitlegging, die ethnisch en
‘internationaal’ boven het Mozaïsme uitvoert. De
evangelische Soter is maar Joodsch ten halve, Joodsch van
den eenen kant, hij is ‘verlosser’ des Jodendoms (Jez.
59:20) als reiniger van den onzuiveren Joodschen géést (Mt.
8 : 3) en verlosser uit het Jodendom (Rom. 11:26) als
verlosser van het Jodendom. (Joh. 4:21.) Dat de evangelische
Jozua niet meer den Heer leert van de rechtvaardige wrake,
den Joodsch nationalen Jahwè, wiens bekrompenheid achter het
‘Kyrios’ der Alexandrijnsche overzetters was schuil gegaan
bij wijze van teeken, dat het Jodendom moest worden
ontjoodscht, — dat de ‘Naçoreesche’ Josua, Ieesoûs
Nazarias, voor allen de boodschap brengt, dat zij des
Vaders beschermelingen zijn (Mt 10:29—31), — dat is iets
nieuws, wat geene judaïzeering van het eerste evangelie van
zijne Hellenistische en Alexandrijnsche eigenaardigheid
heeft kunnen ontdoen. De geest van den evangelischen Josua
is de geest van eene reiniging en verzoening, die van binnen
zuivert, niet voor het oog (Mt 23:25—28); „dat, heet
het“ bij de uit
25
Alexandrië afkomstige gnostieken (Hippol. 5 : 8), „is het
wat gesproken is: gewitte graven zijt ge, van binnen vol
doodsbeenderen, want de levende mensch is niet in u!“ Het is
tijd, dat men het eens leere begrijpen: de geest, die het
Evangelie heeft voortgebracht, is de geest van de
Alexandrijnsche gnosis en de Ieesoûs, die daarin leert en
geleerd wordt, is de belichaamde rede, die uit het Jodendom
voortkomt, om er boven uit te gaan en boven uit te voeren.
Dat doet die belichaamde rede ten slotte aan het
Aegyptische teeken van het komende leven, aan het
‘Grieksche’ kruis, dat reeds bij Hezekiël (9:6) een teeken
van behoud was gebleken, en het geschiedt, opdat de
Josuaansche geest het zinnebeeld erlange, waarmede hij de
wéreld kan gaan veroveren. Wanneer de boven alle
rechtvaardigheid nog uitgegane chrestelijkheid in levenden
lijve, de chrestus Jesus, aan het kruishout den geest geeft,
dan wórdt hij de Geest, de goede, de ware en de zuivere of
heilige Geest, waarin de Zoon zich een toont met den Vader
en alle echte Chrestenen hunne gemeenschap vinden; de
evangelische Josua was niet onmiddellijk en van den beginne
wat hij middellijk blijken moest en een vereenigende,
verzoenende bemiddelende Chrestus, eene persoonlijke
openbaring van vaderlijk goddelijke zachtmoedigheid en
goedertierenheid, die als
26
Christòs hoogepriesterlijk zichzelven ten offer
brengt, om in den dood een verheerlijkte of
koninklijke Christòs te worden. Eerst door zijnen dood
wordt het Jodendom tot zijne waarheid verheven;
de ware geest, die uit het Mozaïsme spreekt, is een
geest, die op het Mozaïsme volgt. en zoo is de stervende
Josua van het Evangelie voor de Joden eene ontgoocheling
(Lk. 24 : 21), juist omdat hij voor het Jodendom sterven
moest, ten einde het tot iets hoogers te kunnen brengen. Als
Christòs is de evangelische Josua een godmenschelijk
quidproquo.
Het Evangelie is als de blijde boodschap, dat de ware
Josua verschenen is, uitbeelding van Alexandrijnsche
schriftuitlegging. En het verhaal , van diens wonderdaden,
diens lijden en sterven en verheerlijkt opgeleefd zijn, is
om te beginnen en Alexandrijnsch verhaal geweest,
opgeteekend, naar het heette, uit den mond van eenen
als ‘Rots’ (van eenen zegsman) gequalificeerden
vertegenwoordiger der twaalf eerste leerlingen, in wie de
verhaler dan het Jodendom als getuige der zaak symbolisch
zal hebben samengevat, met het oog, om te beginnen, op het
Jodendom zelf, in welks Hellenistische synagogen rondom
de Middellandsche Zee het Evangelie moest rondgaan, De
schrijver heette, naar men zeide, Marcus, had
27
de evangelische woorden en daden uit den mond van den oog-
en oorgetuige zelven opgeteekend en het verhaal eerlang te
Alexandrië gebracht, waar bij volgens latere overlevering
het eerst. gemeenten heeft gesticht; zoo hadden voor
een overigens op zichzelf naamloos Evangelie ‘de velen’ het
gehistoriseerde getuigenis, dat zij niet konden ontberen
voor hun geloof, al was de gnosis der ingewijden de kennis
van eenen geest, die in dat Evangelie van zichzelf
getuigde.Men heeft dit Evangelie bij of na de aanvaarding
eerlang gewijzigd en omgewerkt, het allereerst te Rome, waar
èn ons meer judaïzëerend eerste evangelie èn het meer
hellenistische derde èn het geneutraliseerde, doch in
vergelijking met het eerste (Mt. 19:17!) altoos nog on
wettische (Mr. 7:3-4) en beslist internationale (Mr. 13 :10)
twééde onzer evangelieverhalen tezamen zijn tehuis geweest.
Het vierde is openbaring van gealexandrinizeerde gnosis uit
Samarië en geschreven vermoedelijk te Ephesus, allereerst
met het oog op Johannisten (vgl. Hd. 19 :1—4 met
Joh. 1 ; 20, 3: 30) en voorts ook onder meer tot
beantwoording van het Joodsche verwijt, dat de hoofdzaken
van het Evangelie niet te Jeruzalem maar ‘in eeen hoek’
waren gezegd en geschied en de evangelische Josua eerst, in
het einde naar de hoofdstad
28
was gegaan, om daar terstond ellendig aan zijn einde te
komen. Al onze evangelisten hebben het Evangelie in eerste
lezing, het Alexandrijnsche Petrusverhaal van Marcus, nog
voor zich gehad en gebezigd; zij zelven zijn in min ofte
meer onderling uiteenloopenden trant tezamen gnostieken
geweest, die wat zij verhaalden zinnebeeldig verhaalden en
in dat opzicht eenerlei bedoeling hadden,
onverschillig of zij vertelden van des Heilands verzoeking
of van de bruiloft te Kana, van de broodenvermenigvuldiging
en den verdorden vijgeboom of van de genezing van den
blindgeborene, de opwekking van Lazarus en de Emmausgangers.
De Palestijnsche Naçoreeën of Mineeën (d. w. z.
‘sectarissen’) zijn met hun Arameesch evangelie der Hebreeën
niet als oorspronkelijk maar als bijkomstig te beschouwen;
de in het oog vallend afwijkende bijzonderheden, die men uit
hun evangelie heeft aangehaald, zijn in geenen deele
oorspronkelijkheidsbewijzen tegenover de vooronderstelling,
dat het eerste evangelie der Hebreeën, evenals de ‘brief aan
de Hebreeën, een geschrift van Alexandrijnsche Joden is
geweest. Even goed als de ‘Nahassenen’, Ophieten of
‘Slangvereerders’
(vgl. Gen. 3:5. 22)
zijn ook de Naçoreeën of ‘Bewaakten’ (des Vaders) van
Alexandrië uit in verband allicht met het Essenisme
29
te denken; de Jeruzalemsche moedergemeente zal wel een
verzinsel zijn en dat Ieesoûs in een ouden tooverpapyrus de
god der Hebreeën heet, heeft allereerst willen zeggen, dat
Ieesoûs als met den goddelijken Vader één door
Hellenistische ‘Hebreeën’ verkondigd werd. Die
Hellenistische en allereerst Alexandrijnsche Hebreeën hebben
hunne prediking op schrift gehad in een ‘Alexandrijnsch’
boekje; hun evangelie was het later dus genoemde ‘evangelie
der Aegyptenaren’, dat niet in alle opzichten beter behoeft
te zijn geweest dan zijne jongere mededingers, om erkend te
moeten worden als de lezing, waarin de Gnosis der eerste
eeuw het Evangelie van de tweede het eerst heeft
verkondigd.
De
evkklhsi,a tw/n crhstw/n
de ‘chrestelijke’ en eerst middellijk ook ‘christelijke’
gemeente, is oorspronkelijk de hellenistische synagoge,
die zich aan allegoresen verhalend verpersoonlijkend is te
buiten gegaan, om zich te verkeeren en te bekeeren tot een
ideaal van zachtmoedigheid. Dat de ware Jozua, de Jozua
van het Evangelie, als de echte Zoon van den goddelijken
Vader de
swth.r
of heiland’ der Joden is, het kan niet helder genoeg worden
doorzien als een zinnebeeldig quidproquo, dat onvermijdelijk
en onontbeerlijk was, inzooverre uit het Mozaïsme eene
religie des Geestes zich zoude ont-
30
wikkelen. „Verstandigheid zonder wisselingen en
verwisselingen ontwikkelt zich nergens en nooit; niets komt
tot ontwikkeling alleen doordat het bij wat anders
verstandig blijft, en redelijker dan de negatief kritische
en historische aftrekmethode, die in het verleden naar een
standhoudend en onoplosbaar overschot zoekt, dat zij, in een
ontal van verzonnen gegevens als het ware kan laten gelden,
is de samendenking ook van ‘ongeloofwaardige’ gegevens in
eene geloofwaardige veeleenigheid van zelfontwikkeling der
goddelijke Idee. Verzonnene feiten zijn ook feiten, feiten
des Geestes, die alleen het ware is en men zal zich hebben
te leeren schikken in de gedachte, dat de kritisch
historische aftrekmethode van het Evangelie ten slotte niets
overlaat, opdat het op hooger peil in redelijkheid worde
weergevonden als de gevoelvolle voorstelling, waaruit eene
eeuwig ware Rede spreekt. Dat inzicht, die Wijsheid, is
allerminst een beletsel voor het geschiedkundige denken als
zoodanig, maar gaat het te buiten om het te blijven
inhouden; de Gnosis omtrent het Evangelie blijft
ongescheiden onderscheiden van het historische besef, dat
onze evangeliën, naar een Alexandrijnsch voorbeeld
vervaardigd zijn. Dat nu verlorene voorbeeld, allicht het
Marcusevangelie, dat nog bedoeld is door de gnostieken, van
wie Irenaeus (3:11, 7)weet te
31
vertellen, dat zij aan het evangelie volgens Marcus de
voorkeur gaven, is als een zoo gezegd door Marcus
opgeschreven verslag van Petrus, dat aan de Alexandrijnen
was nagelaten, een evangelie geweest van ‘Aegyptenaren’;
men leere eens voor al begrijpen, dat Justijns
‘Herinneringen van Petros’ (Dial. 106), die volgens den
presbyter van Papias (Eus. H. E. 3 : 29) door den
‘Petrusvertolker’ Marcus waren opgeschreven en volgens de
Alexandrijnsche overlevering (Eus. H. E. 2 : 16) door dien
Marcus aan de Alexandrijnen gebracht zijn, het
geschrift moeten zijn geweest, dat men in min of meer
afwijkende lezing niet alleen als ‘evangelie der Hebreeën
heeft gekend, maar met den Alexandrijnschen Clemens
(Strom.
3:9
en
3:13),
den Romeinschen Hippolytus (Heer.
5:7)
en Origenes
(5:86
Lomm.) ook het evangelie der Aegyptenaren kan noemen. En
uit dat evangelie der Alexandrijnsche Aegyptenaren hebben
dan Nahassenen geciteerd en ‘Paulus’, ‘Barnabas’ en de
tweede Romeinsche ‘Clemens’, de judaïzeerend gnostieke
Clementijnsche Petrushomiliën en’ ‘Ignatius’; ‘het
Evangelie’ in 1 Kor. 15:1—7 verkondigd, met zijne
twaalf overgeblevene leerlingen zonder ‘Juda(s)’, is
als het Evangelie, zooals nog Justinus en de schrijver van
het in Aegypte weergevondene stuk Petrusevangelie het
gekend hebben, eene
32
vreemde bekendheid, die nergens anders dan in Alexandrië
is tehuis te brengen en juist daarom ook allereerst bij
gnostieken met Joodsch klinkende bijnamen in gebruik is
geweest.
Ingeval in 1 Kor. 15 : 1—7 naar een evangelie van Joden of
‘Hebreeën’ wordt verhaald, dat eigenlijk een verhaal van
gnostieke Alexandrijnen is, moet de grond vervallen heeten
van het oude geloof, dat in de Paulusbrieven een eerste
waarborg van Jesu feitelijk lijden en sterven voorhanden is.
Tot in den jongsten tijd echter spreekt en schrijft men
onder bijbelkundigen ook in Duitschland, alsof er geen
gegrond bezwaar, geen ernstig en redelijk bezwaar was tegen
het geloof aan de apostolische authentie der zoogenoemde
Paulinische hoofdbrieven, die geschreven zouden zijn kort na
het midden der eerste eeuw en een hechte steun zouden
blijven voor ons geloof aan woorden en daden van den
(overigens door Paulus vergoden) Palestijnschen Jezus. Nog
in
1902
kent onder anderen Pierre Batiffol, recteur de l’institut
catholique
de Toulouse, „des
épîtres
de saint
Paul dont l’authenticité ne soulève, a l’heure actuelle,
aucune controverse entre critiques“: men zie blz.
75
in den zesden druk van zijne ‘six leçons sur les évangiles’.
Toch heeft reeds in
1840
Dav. Fr. Strauss o. a. de opmerking gemaakt, dat
evenals in de
33
geschriften van den apostel Paulus sporen van bekendheid met
de Hellenistische apokryphen van het Oude Verbond, meer
bepaaldelijk met het boek der Wijsheid, in het algemeen niet
te miskennen zijn, men aan hetgeen zij omtrent de goddelijke
wijsheid leeren herinnerd wordt ook door zijne Christologie
(‘De Christelijke Geloofsleer’ 1:419); toch heeft al
Schopenhauer het niet recht verklaarbaar gevonden, hoe
Paulus, wiens hoofdbrieven, meende bij, wel echt moesten
zijn, iemand, die nog zoo kort geleden was gestorven, dat
velen zijner tijdgenooten nog leefden, in allen ernst had
kunnen beschouwen als geïncarneerden God en met den
Wereldschepper een, terwijl toch anders ernstig bedoelde
vergodingen van dien aard en omvang vele eeuwen noodig
hadden om allengs tot rijpheid te komen. Van den anderen
kant echter, zoo vond hij reeds, zoude men daaruit een
bewijs kunnen ontleenen tegen de echtheid der Paulusbrieven
in het algemeen: Reclamuitg. 5:403. De Engelsche schrijver
van ‘Supernatural Religion’ zegt: „In de geschriften van
Philo met name vinden wij de leer van den Logos, de
benaming, die destijds die van Wijsheid schier geheel
verdrongen had, bijna tot haar eindpunt uitgewerkt, zoodat
zij weinig of niets anders dan toepassing in vleeschelijken
vorm op een afzonderlijken mensch
34
behoefde, om de leer te vertegenwoordigen van de vroegste
Nieuw-Testamentische geschriften, meer bepaaldelijk van den
brief aan de Hebreeën, — het werk van een Christelijken
Philo, — van de Paulusbrieven en laatstelijk van het vierde
evangelie.“ (2 : 280.) Wanneer dat zoo is, welke grond is er
dan voor het geloof, dat tusschen het Alexandrijnsche
schrijven aan de Hebreeën en het alexandrizeerend Ephesische
Johannesevangelie in, de zoogenoemde Paulinische
hoofdbrieven ‘authentieke’ getuigenissen uit de jaren 50 tot
60 onzer telling zijn? Op uitwendige bewijzen of teekenen
van herkomst kan men zich in hun geval even weinig beroepen
als in het geval der evangeliën zelven; allereerste
gebruikers van Paulusbrieven zijn vóór het midden der tweede
eeuw naast een Romeinschen Clemens de zoogenoemde Nahassenen
en Basilidianen, alsmede Marcion de tijdgenoot van Justinus
Martyr, die van Paulus nog niet gewaagt; en ziet men
onze Paulusbrieven zelven eens door, dan ontwaart men eene
theologie van ‘latere dagen’, die wel de dagen van de jaren
110 tot 150 onzer telling zullen zijn. In Rom. 1 :8 blijkt
het geloof van de Romeinsche gemeente al in de heele wereld
te worden verkondigd; in Rom. 11:20 komt tegen Joodsche
onbekeerliijkheid het vaste Romeinsche geloof reeds als eene
gevaarlijke aanleiding tot
35
zelfverheffing uit en in Rom. 15:14 zijn de adressaten ‘van
alles op de hoogte’, waarop nog eens in Rom. 16:1 eene
zuster diacones komt verraden, dat men zich midden in het
‘chrestelijke’ gemeenteleven bevindt. De opmerking in Rom.
2:14, dat de buiten het Mozaïsme verblevene volkeren niet
zonder hun aangeboren zedelijkheidsgevoel zijn, dat even
goed in hen werkt als ‘de wet’ in de Joden, is taal van
Grieksche wijsheid en ook de uitroep in Rom. 11:33 over de
diepte van rijkdom en wijsheid en kennis Gods is uiting van
Hellenistische gnosis. Wanneer het in Rom. 3 : 8 laster
wordt genoemd, dat men van des schrijvers partijgenooten
spreekt, alsof zij, om het goede zoo gezegd teweeg te
brengen, het kwade zouden willen doen, en wanneer het dan in
Rom. 6:1-2 nog eens uitdrukkelijk wordt afgeweerd, dat men,
om de genade te beter te doen uitkomen, er maar op los zoude
hebben te zondigen, dan spreekt eenvoudig Hellenistische uit
Alexandrië afkomstige gnosis, gnosis, die èn als
‘Sethiaansche’ èn als ‘Kaïnitische’. ontwikkeldheid aan den
genadigen Vader van het Evangelie vergeleken met den
grimmigen Heer van de Wet het kenteeken harer afkomst had.
Er ligt een geheel gnostiek philosopheem verscholen in de
bewering van Rom. 3 : 24-25, dat de Heer Ieesoûs voor zijne
geloovigen om hunne overtredingen is
36
overgegeven en tot hunne rechtvaardiging is opgewekt, een
philosopheem, welks theosophische zinnebeeldigheid elders
(als in Hebr. 13 : 8, Eph. 2 : 6, Kol. 2 : 12, Gal. 2 : 20)
duidelijk genoeg uitkomt; de leerregel, die aan de
adresaaten van Rom. 6:17 gezegd wordt te zijn overgeleverd,
is dan als het formulier, dat volgens Irenaeus (1.: 9, 4)
overgeleverd werd bij den doop, het oude later nog weer
uitgebreide symbolum Romanum, zooals ook Tertulliáán het
heeft gekend. Heet het in Rom, 10: 4, dat Christòs
het einde der Wet is, dan blijkt het Mozaïsme opgeheven in
een Hellenistischen Zoon, wiens zinnebeeldigheid in Rom. 8
: 3 verraden en wiens voorbeeldigheid in Rom. 8 : 14
geleerd wordt; de Hebreeër van Rom. 9:3 gebruikt bijv. in
Rom. 4: 6—8 de Alexandrijnsche overzetting, en dat
de schrijver van Rom. 9:1 zich op het geval van Paulus
beroept, om te bewijzen, dat God zijn volk niet
eenvoudig heeft verstooten, is aan dat Alexandrinisme een
blijk van ‘latere’ dagen, waarin Paulus met Petrus tot de
legendaire grootheden was gaan behooren. Dat Hellenisme en
Rome elkander niet hebben uitgesloten en, de Romeinsche
ekklesia tot in de derde eeuw eene Hellenistische
gemeente is geweest, komt bij vergelijking met het
geschrift van.Seneca over den toorn (2 : 32, 3 : 39) zeer
eigenaardig uit
37
in Rom. 12, 19: de ‘chrestelijke’ schrijver aan de Romeinen,
die wel iemand van de gemeente zal geweest zijn, een Jood
van de Hoofdstad omtrent het jaar 110, zegt daar „wreekt
uzelven niet, geliefden, maar ‘geeft plaats’ aan
den toorn“, terwijl Seneca geschreven heeft „we zullen hem
ruimte geven“; „iets onmenschelijks, al wordt zij als
rechtvaardig aanvaard, is de .wraak“ „Vergeldt
niemand kwaad met kwaad,“ zegt de schrijver van Rom. 12 : 17
zeer ‘chrestelijk’ en eigenlijk ‘onchristelijk’ of
onmessiaansch; want wat was de Gezalfde der Joodsche
verwachting anders dan een heerlijk wreker?’ In Rom.
14
blijkt de Hellenistische gemeente te worden beroerd door de
oud kynische zelfversterving, niet hare afkeuring van
vleesch - en wijngebruik
(14:2. 21)
en wordt de vrijheid, geprezen, doch hare toepassing
ontraden, wat wederom goed gnostiek is; want de gnosticus
was een intellectueel, die stelselmatig leerde, hoe men had
te doen en te spreken met het oog op eenvoudiger broederen.
Zoo is dan ‘Paulus’ de schrijver aan de gemeente te Rome;
een schrijver in den gnostieken of aanvankelijkèn geest van
de gemeente te Rome en even weinig als de Petrus van het
oorspronkelijke Alexandrijnsche evangelie de man, die deze
overigens overoude gemeente gesticht heeft. ‘Wie
heeft de Romeinsche gemeente
38
gesticht? Niemand. De ecclesia Romana heeft zichzelve
ontwikkeld uit eene Hellenistische synagoge van Joden en
Jodengenooten, wat op den stillen Sabbath tusschen den dag
van den kruisdood en dien der verrijzenis in de lessen van
de Roomsche liturgie nog nawerkt ; die Hellenistische
synagoge heeft zich ‘gnostiek’ van de .gerechtigheid des
‘Heeren’ tot de in het voorbeeldig evangelische ‘zoonschap’
geopenbaarde genadigheid des ‘Vaders’ gewend en verkeerd of
bekeerd en was daarmede dan tot eene aanvankelijk even
Hellenistische ‘broederschap’ (Hd 28 : 13—15) geworden.’ In
Rom. 15:31 toont de broederschap nog eerbied voor Jeruzalem,
doch in Rom. 16 : 25—27 blijkt zij Hellenistisch gnostiek,
want „de prediking van Ieesoûs Christòs naar de openbaring
der verborgenheid, die de eeuwen door verzwegen was geweest,
maar nu geopenbaard en door ‘profetische’ geschriften bekend
gemaakt is“, is niets meer of minder dan de populaire
verkondiging eener tot voorbeeldelijkheid uitgewerkte en
uitgebeelde schriftuitlegging, prediking van een uit
allegoresen verdicht symbool. Vermoedelijk is ‘Paulus’ de
schrijver aan de Romeinen een te Rome woonachtig Sethiaan of
Nahasseen geweest uit de jaren 100 tot 125.
De Korinthische ekklesia met haren maaltijd
39
des Heeren (1 Kor. 11 : 20), die in 2 Kor. 9 : 7 tot
offervaardigheid wordt aangemaand, heeft eene voorloopster
gehad aan de Delische Jodengemeente onder anderen, die voor
godsdienstige doeleinden gelden placht in te zamelen en als
eene Helleensche broederschap hare gemeenschappelijke
maaltijden had gehouden (Jos. A. J. 14 : 10, 8), terwijl zij
zich goed Hellenistisch uit de Alexandrijnsche
schriftenvertaling had gesticht. Gedacht als gemeente eener
stad, waar Paulus omtrent 53 voor het eerst was geweest, om
er anderhalf jaar te blijven, een paar maal nog terug te
komen en dan omtrent het jaar 60 te Caesarea een gevangene
te zijn, zoude zij volgens ‘Paulus aan de Korinthiërs’ al
bijzonder snel moeten zijn ontloken, opgegroeid en
toegenomen of uitgebreid; in het algemeen zijn de
Paulusbrieven in de jaren 55 tot 60 onzer telling nog niet
te denken en bij de verdeeldheid, waarvan men bijv. in 1
Kor. 1: 12 leest, moet men wel mompelen: dat is vlug gegaan!
Dat Christus (zonder lidwoord) in 1 Kor. 1: 24 de ‘kracht’
en de ‘wijsheid’ Gods heet, beteekent, dat hij daar voor de
verbeelding de gedaante is, waarachter de Alexandrijnsche en
Philonische Logos of Rede schuilt; de gekruisigde Ieesoûs
van 1 Kor. 2:2 is nog niet het ware, dat volgens 1 Kor. 2:6
bekend gemaakt wordt
40
aan ‘volwassenen’, of door den geest, die volgens 1 Kor. 2 :
10 Gods diepten ‘onderzoekt’, voor zichzelven zal moeten
ontdekt worden ; en de geestelijke mensch, die volgens 1
Kor. 2:15 alles beoordeelt, zonder dat iemand anders (zegge
de ‘zielige’ mensch van 1 Kor. 2:14) erachter komt wat men
eigenlijk aan hem heeft, verkondigt een Jezusevangelie voor
de velen, dat hij zelf als eene heilzame voorstelling voor
de buitenstaanden van binnen uit doorziet. In 1 Kor. 4 : 1
onthult hij zich als een Korinthisch clericus, een
intellectueel voorganger zeggen wij van het jaar 125, die
het beheer heeft over verborgenheden, geheimzinnigheden of
zinnebeeldigheden, waarin het bekende ongekende van
‘Christo’ tot de evangelische ‘armen’ kwam; in 1 Kor. 6 :
1.7 vormt zijne gemeente bereids eenen staat in den staat,
wat dan eerlang weer aanleiding zoude geven tot
vervolgingen. Onpalestijnsch en Hellenistisch is de in 1
Kor. 7 :1 verstrekte raad, om geene vrouw aan te raken, een
raad waarvan de antisemitische Marcion omtrent 140 bitteren
ernst heeft gemaakt en de Cynici den samenhang met hun
vegetariaat en hunne wijnverfoeiing zouden hebben
toegegeven, doch een Mozaïsch opgegroeide Palestijnsche Jood
even weinig het Semitische zoude hebben beseft, als hij de
voorbeeldelijke maagdelijkheid vermocht
41
te vereeren van den Naçoreeschen Jeesjoe zelven ; dat wij
ons hier niet in eene apostolische gedachtenwereld uit het
jaar 55 maar in eene theosophische wereld van 125 bevinden,
komt nogal duidelijk uit ook in 1 Kor. 7 : 36—38, zoodra men
door de verduisterende vertalingen en ‘verklaringen’ heeft
leeren heenzien. Is het ‘gamízein’ van 1 Kor. 7:38 echt, dan
moet het beteekend hebben ‘tot gehuwde vrouw maken’ en de
plaats in haar geheel handelt over de mede inwonende
maagden, die in de oude Kerk zooveel hebben te doen gemaakt
als eigenlijk onweerstaanbare beproevingen van de mannelijke
betrachting der kuischheid ; de ‘huwbare dochter’, waartoe
in onze synodale vertaling van 1866 de maagd van 1 Kor, 7:36
is vergoocheld, de ‘dochter’ zonder meer waarvan daar in
Kor. 7:37 schijnt te worden gesproken, is evenzeer falsaat
als de Roomsche lezingen van Gen. 3:15 en 1 Kor. 15:5.
Merken wij op, dat de schrijver van 1 Kor. 7:40 geene
aanspraak maakt op meer dan gewone ingeving en de
judaïzanten blijkens 1 Kor. 9: 1 in het Paulinisme geene
‘apostolische’ leer. vermochten te vinden ; dat de
uitlegging die aan de ossen van Dt. 25;4 in 1 Kor. 9 : 9—10
gegeven wordt, eene proeve is van heel gewoon ‘gnöstieke’
allegorese en dat de geestelijke petra ‘of’
Christus, die
42
in de dagen van Mozes volgens 1 Kor. 10:4 de Joden volgde,
aan kennelijkheid zelfs van Philónisch Alexandrinisme niets
hoegenaamd te wenschen laat, moet na al het gezegde nu wel
duidelijk zijn. „Want de steile petra is de wijsheid Gods,“
zegt Philo van Alexandrië in zijn werk over „Wetsallegorieën
(2:21) en, zooals bereids was opgemerkt, vindt ‘Paulus’ die
wijsheid in Christo belichaamd, waarom wij dan ook
allerminst aanleiding hebben, om met den ‘kool en geit’
sparenden A. Harnack in diens leerboek der
Dogmengeschiedenis (1: 99) quasi-conservatief te beweren,
dat „Philonisches bei Paulus nicht nach- weisbar“ is. In de
Duitsche omgangstaal noemt men zulk eene uitspraak een
‘Schwerenöter’.
De gnostieke vrijzinnigheid ontziet in
1
Kor.
10:25-29
weer het gevoel van de velen, van ‘de zielige menigte’,
zooals ook Philo bij gelegenheid (L. A.
2:21)
den grooten hoop noemt, en blijkt weer onjoodsch in
1
Kor.
11:4. 7. 10,
waar het heet, dat een man die met gedekten hoofde bidt of
ingevingen voordraagt, in één woord,
gezegd ‘schandalig’ handelt en juist de vrouw iets op het
hoofd moet hebben. In 1 Kor. 14:4 wordt de glossolalie, een
verrukt en theosophisch gebrabbel van oningewijden vol
onbegrepene rare woorden, bij de ordentelijke
sehriftvertolking voor
43
de gemeente als eene nuttelooze onverstaanbaarheid
achtergesteld; de schrijver moet gemeenteleden hebben
gekend, die omtrent Vader, Zoon en Geest, over zonde, genade
en wedergeboorte zelfstandig hadden
leeren
spreken en er verrukten onzin over hadden
leeren
spreken
—
in de stichtelijke samenkomsten: men zie
1
Kor.
14:16.
Gaat
1
Kor.
15
van het evangelie der Aegyptenaren uit tegen ons vierde
evangelie? De Twaalf van 1 Kor. 15:5 zijn Alexandrijnsch
Petrinisch; in Joh. 1 : 9—13, 8 : 12, 17 : 4—8 is in de
verzoening de menschwording van Christus het middelpunt en
in 1 Kor. 15: 17 is niet eens meer het lijden en sterven,
maar de opstanding het beslissende feit. In 1 Kor. 15 : 29
blijken voorts ook zeer eigenaardige ‘onrechtzinnige’
gebruiken in zwang, die in de eerste helft der tweede eeuw
feitelijk gegolden hebben, want aan plaatsvervangenden doop
voor overledenen hebben volgens Epiphanius (‘Secten’ 28:6)
Kerinthianen en volgens Johannes Chrysostomus de
Marcionieten gedaan. De eerste dag der week van 1 Kor. 16:2
is weer de Hellenistische Zondag der Mithradienaren en niet
van eenen Jood, maar jonger dan de Sabbathsrust van Hebr. 3:
9, die de afscheiding der, Ekklesia van de Synagoge (vgl.
Hebr 13 : 13) nog niet vooronderstelt; hij is
44
jonger ook dan het evangelie der Aegyptenaren, waarin het
Sabbathvieren wel vergeestelijkt, maar niet afgeschaft was.
„Ieesoûs spreekt: wanneer gij niet nuchter blijft van de
wereld, zult gij het Godsrijk niet vinden en wanneer gij den
Sabbath niet Sabbath maakt, zult gij den Vader niet zien.“
Hij zegt dat op een stuk papyrus weergevonden in Aegypte en
zal zoo wel oorspronkelijk in het zoogenaamde evangelie der
Aegyptenaren hebben gesproken.
Marcion en Theophilus (ad Autol. 1) hebben eene zalving van
nieuw gedoopten gekend; „gezalfd met onuitsprekelijke zalf’
heetten ook de Nahassenen. (Hippol. 5:7. 9.) En die
sacramenteele zalving, die omtrent 175 bij Theophilus wel
algemeen Christelijk lijkt, doch omtrent 185 bij Irenaeus te
Lyon (1:21, 3) van Rome uit weer sectarisch wordt gevonden,
zal wel evenzeer in 2 Kor. 1:21 voorondersteld zijn als in 1
Joh. 2 : 26 ; in 2 Kor. 5 : 20 blijkt weer de Korinthische
opziener aan het woord, de episkopos, die met de andere
presbyters kan zeggen, dat God door ‘hen’ vermaant en ‘zij’
voor Christus gezanten zijn. Daarom behoeft men ook niet
meer te vragen, of de schriftgeleerde
Paulus
het in onze vertalingen verduisterde, door ‘Belial’
vervangene ‘Beliar’ van
2
Kor.
6:15
zal hebben geschreven: ‘Beliar’ is
45
Hellenistisch Joodsch van dien tijd. De zachtmoedigheid en
goedwilligheid Christi, waarvan in 2 Kor. 10:1 gewaagd
wordt, is nog eens het merkteeken, waaraan de Hellenistische
Chreesten uit het jaar 125 na het begin onzer jaartelling te
onderkennen is van den Hellenistischen Jood, die omtrent 100
vóór het begin van die telling voor zijne vermoorde dochters
Marthine en Heraklea een wraakgebed te Rheneia op Delos in
steen heeft laten beitelen: de oudere Mosaische Hellenist en
de jongere ‘Josuaansche’ Hellenist hebben beiden de
Alexandrijnsche schriftenvertaling gebruikt, doch de eerste
heeft enkel aan den rechtvaardigen en wrekenden Heer
gedacht, die zijnen dienstknecht en zijne dienstmaagden
recht zoude doen, terwijl de andere daarboven was uitgegaan
tot den liefderijken en genadigen Vader van den goedaardigen
en zachtmoedigen Zoon, in wien alles nog eens tot eenheid
zoude komen. Heeft in de jaren 55 tot 60 een onverzonnen
Paulus van Jezus’ eigene en onmiddellijke Galileesche
leerlingen het woord in 2 Kor. 11: 5 geschreven, dat hijzelf
bij die ‘uitstekende’ apostelen in niets achterstond? Zijn
de ‘aartsapostelen’ van 2 Kor. 12: 2 ; rechtstreeksehe
jongeren van een Naçoreeschen Jeesjoe of zijn zij in de
eigenlijke bedoeling van den schrijver rondreizende
judaïzanten van
46
later tijd? De Hebreeër van 2 Kor. 11 : 22 althans is een
Hellenistische Jood. De schrijver aan de Galatiërs is
zelfs een van de ‘zonen des geestes’, van de intectueelen of
‘gnostieken’, die zoo onverholen optraden, dat reeds Philo
van Alexandrië tegen hunne openlijk onwettische gezindheid
verzet had aangeteekend en ze uit des Heeren gemeente had
willen geweerd zien ; de Petrus der Homiliën, achter wien
een evangelisch hellenistische Jood met overwegend Joodsche
sympathieën schuilt, de tegen het ‘Simonisme’ en Paulinisme
te velde getrokken Petrus der ‘Clementijnschc’ Homiliën
geeft omtrent 165 nog toe, dat in de Verstrooiing het
Alexandrinisme ouder is dan het Palestinisme en dat is het,
wat omtrent 130 in Gal. 1 : 6 en 1:15-17 legendair
doorklinkt. Bij Ireneeus (1: 23,3) zegt niet een apostel
maar Simon de Samaritaansche voorman aller onrechtzinnigheid
wat ‘de apostolische Paulus’ zegt in Gal. 2:16 en wat wij
daarbij nogmaals hebben te bedenken, het is de klove
tusschen de oude synagoge der ‘rechtvaardigen’ en de jongere
ekklesia der ‘chreestelijken’, die door de gnostieke
zelfonderscheiding van het Hellenistische Jodendom tot eene
religie van den voorbeeldigen Zoon des Vaders in den loop
dor eerste eeuw is teweeggebracht. Dat wetsbetrachting ons
niet tot God brengt en niet de rechtvaardig
47
heid van den vergeldenden ‘Heer’ maar de genade des ‘Vaders’
ons moet behouden en zaligmaken, wordt beginselvast
‘chreestelijk’ in Gal. 3 : 13 tot het gezegde verdicht, dat
wij van den vloek der Wet door Christus verlost zijn ; dat
voorts de symbolische leer van de verzoening door Christus,
die eigenlijk eene verzoening ‘in Christo’ is, niet zonder
bijkomstige allegoresen is voorgedragen, blijkt nog eens
weer uit de voorstelling van Sara en Hagar als twee
verbonden in Gal. 4 : 24.
Er is overvloedige aanleiding, om in het Hellenistische
Nieuwe Verbond (Hebr. 8:13) tusschen den goddelijken Vader
en zijne ‘chreestelijke’ kinderen allereerst te denken, niet
aan een Palestijnsch en Arameesch apostolaat van mannen, die
als ‘dienstknechten des Heeren’ geboren en getogen waren,
maar aan het philosopheerende Hellenisme van Joden en
Jodengenooten te Alexandrië, dat dan op gemeenten te Rome,
Korinthe, Ephesus enzoovoort is overgegaan; de evangelische
Ieesoûs, die onder de zijnen Mozes opvolgt en wel als de
christós, de hoogepriester, die in het Oude Verbond
profetisch in den tweevoudigen staat van vernedering en
verheerlijking met name gezien was (Zach. 3:1.4.6), is
allereerst verheerlijkt in den geest van lieden, die in
hunne Alexandrijnsch synagogale schriften Ieesoûs letterlijk
voor oogen
48
hadden. Wie niet doorloopend bedenkt, dat in het
Hellenistische Oude en Nieuwe Testament een en dezelfde naam
in Gen.
29 : 35
en Matth. 26:14 staat, dat Judas Ioudas en Ioudas wederom
Juda is, wie niet aldoor voor oogen houdt dat Jozua de
opvolger van Mozes, de hoogepriesterlijke. Jozua van
Zacharja en de Jezus van het Evangelie wat hunne namen
betreft in het Grieksch allereerst der Alexandrijnen een en
dezelfde Ieesoûs zijn geweest, — die zal den oorsprong
des Christendoms niet verstaan. En wie met iets meer dan
machtspreuken wil opkomen tegen de geschiedkundige stelling,
dat de evangelische Jezus een Jozua van Alexandrijnsche
vinding is, zal hebben weg te redeneeren, dat er verband is
tusschen het Hellenistische evangelie en het
Alexandrijnsche boek der Wijsheid. Volgens eene welbekende
opmerking in Plato’s werk over den Staat zal de
rechtvaardige worden geboeid, gegeeseld en gepijnigd, om na
verduring van al dat lijden aan het schandhout te worden
geslagen. En in het allegorizeerende boek der Wijsheid wordt
de rechtvaardige omdat hij den kinderen dezer
wereld in den weg staat en hen, om hunne zonden bestraft,
als: iemand, die God uitgeeft voor zijnen Vader en
nu maar eens moet zien, of hij als zoon, Gods
hulp en uitredding zal ontvangen een lastige Chrestus
of ‘dys-
49
chreestos’, een Wanchrestus, genoemd. Zoude dat in
dezen niets bewijzen? Beteekent het niet, dat de
evangelische Jozua een Alexandrijnsche Jozua moet
heeten? Even goed als Mt. 10:16, 16:28 en 24:7 doen
denken aan het zoogenaamde vierde boek van ‘Ezrâ, het
boek van den profeet ‘Ezrâ, dat aan het einde der eerste
eeuw geschreven is, heeft men bij Hd. 7 : 36, Rom. 2 : 15,
Gal. 3 : 19-20 en Gal. 6:15 te denken aan ‘de
Hemelvaart van Mozes’ als aan een hoogstwaarschijnlijk
Hellenistisch Joodsch geschrift midden uit de eerste eeuw,
waarin eene Joodsche gnosis ‘Mozaïsche’ hemelvaart heeft
geleerd, zooals diezelfde gnosis aldra eene Jozuáásche
hemelvaart zoude leeren. Clemens Alexandrinus weet te
vertellen, dat ‘Jezus’ gezien heeft, hoe Mozes met engelen
werd opgenomen ten hemel en zijn lichaam tegelijkertijd
nog in het gebergte op begrafenis wachtte, hoe ‘Jezus’
(de uitverkorene !) en Kaleb (de Hond !) datzelfde
onderscheidenlijk op hoogere en lagere wijze hadden gezien,
en hij maakt dan voor zichzelven de opmerking, hoe
wij hieruit kunnen leeren, dat de gnosis niet, aller zaak
is en slechts eenigen op den zin, maar de anderen enkel
op de letter acht geven.
(Strom, 6 :15.)
Zoo zegt ook de Alexandrijn Origenes
:
„Ten slotte wordt nog in een geschrift, dat weliswaar op
de Lijst
50
niet voorkomt, van deze geheimzinnigheid het
zinnebeeld beschreven, want er wordt verhaald, dat er
twee Mozessen zijn gezien, een in den geest en een andere
dood in het lichaam.“ (Lomm. 11:22.) Men moet inderdaad
ziender oogen blind zijn, om hier niet den draad te
ontwaren, die van den Alexandrijnschen Philo en het
Alexandrijnsche boek der Wijsheid en in het algemeen van de
Alexandrijnsche Joodsche gnosis door het Evangelie heen naar
de twee Alexandrijnen Clemens en Origenes voert; men
moet onkundig zijn of bot van zin, te oud
allicht, om nog te leeren, om niet evangelische
allegoresen en allegorieën van gnostiek Philonischen aard
nog te herkennen bij Origenes. „Want God zegt deze, heeft
Ieesoûs gezonden tot besnijdenis tegelijk van alle
waardigen en onwaardigen en niet den zoon van Nauee
Ieesoûs, want die had het volk niet besneden met de
ware en de volmaakte besnijdenis, maar Ieesoûs
Christös onzen Heer én Zaligmaker.“
(11 :54.)
„Wanneer gij echter het mysterie van de bron des doops
gekomen zijt,
...
zult gij het land der belofte binnengaan, waarin
u
na
Moses Ieesoûs
op- neemt, en die wordt u dan een leidsman op den
nieuwen tocht.“
(11:37.)
In zulke gezegden en gegevens tezamen genomen is begrepen
of te begrijpen, niet alleen hoe men in den zin der
51
achter het Evangelie schuilende (of zich in het Evangelie
openbarende) gnosis het gemeenschappelijke voorbeeld van het
opgaan in den Vader, den
evangelischen
Jozua, als „den eerstgeborene der dooden“ (Openb. 1:5) heeft
op te vatten, maar dat in het algemeen in den geest der
Alexandrijnsche gnosis de zienlijkheid en voorstelbaarheid
een beeld geweest is van het onzienlijke en denkbare of
begrijpelijke, om voor wel en niet begrijpenden aan een
doorloopend zinnebeeldig voor- en toonbeeld in het Evangelie
tot verdichting te komen, — tot verdichtsel te worden. Het
Christendom is uitgegaan van Alexandrië en het is ontstáán
te Alexandrië; dat de Jesuanen het eerst te Antiochië
Christenen of Messianisten zijn genoemd, is mogelijk, al
kunnen ze daar aanvankelijk ook wel ‘Chreestenen’ of
idealisten hebben geheeten, doch de Ieesoûs van het
Evangelie komt in allen gevalle uit .Aegypte. Daarom moet
ook hét eerste evangelieboek in een ‘evangelie der
Aegyptenaren’ gezocht worden.
De Roomsche geleerde Pierre Batiffol heeft in
1897
gezegd:
„On a beaucoup fait en ces derniers temps pour réhabiliter
deux évangiles dont il ne subsiste que quelques fragments:
l’évangile selon les Égyptiens et l’évangile selon lès;
Hébreux. Nous ne croyons pas qu’on y ait réussi pour le
52
premier. Quand et où l’évangile selon les Égyptiens a-t-il
été rédigé? On ne peut le dire d’une façon précise. Ce mot
d’Égyptiens peut désigner les Chrétiens d’Alexandrië;
de fait, cet évangile semble n’avoir circulé qu’ à
Alexandrie et à Rome, deux églises en relations
journalières. De fait aussi, il parait avoir disparu de la
circulation à la fin du deuxième siècle. Étant donné que
Rome et Alexandrie étaient deux églises très conservatrices,
cette répudiation radicale de l’évangile selon les Égyptiens
est pour faire penser que, ni à Rome, ni à Alexandrie, il
n’avait dû être solidement accrédité et officiellement reçu.
D’après les derniers savants qui s’en sont occupés, il ne
serait pas postérieur à l’an 130 et pourrait remonter au
premier siècle, même. J’ai, pour mon humble part, grand’
peine à me rallier à cette opinion: les deux fragments
certains que nous possédons de l’Évangile selon les
Égyptiens prêtent à Jésus des pensées si étrangères à son
enseignement, si étrangères à l’enseignement des apôtres,
soit sur le mariage qu’il maudit soit sur la métempsychose
qu’il soutient, que nous ne saurions voir dans cet évangile
perdu autre chose qu’une fiction égyptienne du deuxième
siècle, de moins de valeur que le faux évangile de saint
Pierre. Le cas de l’Évangile selon les Hébreux
53
est très-différent.“ (‘Six Leçons’ 6 pp. 33—34.)
Dat de ‘behoudsliefde’ van de gemeenten te Rome en Alexandrië
tegen het in den loop der tweede eeuw uit de gemeenten
verdróngene evangelie der Aegyptenaren iets zoude bewijzen,
is eene ongeveer even, of liever gezegd minder, leerrijke
opmerking, dan de bewering, dat de Alexandrijnsche
behoudsliefde iets tegen de te Rome aanvaarde en te
Alexandrië
lang verworpene Johanneïsche Openbaring en de Romeinsche
behoudsliefde iets tegen het te Alexandrië
gehandhaafde en te Rome lang verworpene schrijven aan de
‘Hebreeën’ bewijst; de Romeinsche goedkeuring, die het
Johannes-evangelie en den laten tweeden brief van Petrus in
den katholieken Kanon heeft gebracht, is ten behoeve van
eigene evangeliefabricaten in den loop der tweede eeuw aan
het Alexandrijnsche evangelie onttrokken, zietdaar het feit,
en de Alexandrijnsche ecclesia is daarin de Romeinsche
eerlang gevolgd. Juist daarom echter heeft het evangelie der
Aegyptenaren ook langer stand gehouden te Alexandrië
dan te Rome, waar het voor zijne jongere mededingers ‘naar’
Matthœus, Luca(nu)s en Marcus vermoedelijk reeds kort na het
midden der tweede eeuw heeft moeten wijken; eerlang heeft
men dan echter ook te Alexandrië
gevonden, dat in dezen het eerst gekomene of
54
gemaakte nog niet het rechte was geweest. Deze loop
van zaken getuigt dan niet van een eenvoudig
‘conservatisme’, maar van scheuring tusschen de meer
populaire en min intellectueele gemeenteleiders uit de jaren
150 tot 175 en de meer ‘gnostieke’ of intellectueele
leeraren, die eigenlijk de oudste brieven hadden, doch voor
‘de velen’, almede door zelfverwildering hunner gnosis,
langzamerhand weer onmogelijk waren geworden. De Gnosis had
kosmogonische en eschatologische legenden der oudheid in
verbloemde rede tot evangelisch apokalyptische verwachtingen
vergeestelijkt, doch was in de uitbreiding van den kring
harer ingewijden geestelijk verward en onhoudbaar
geworden, toen men van de zijde der velen tot
wering van vervluchtiging des Evangelies half en half voor
de letter zijner verbloemde rede onder afwijzing van
begeleidende verbeeldsels begon op te komen; zietdaar de
verklaring van het feit, dat ‘Christelijke’ schrijvers der
tweede eeuw de Gnosis met gnostieke middelen hebben
bestreden en de Kerk, die zonder Gnosis niets geweest ware,
de Gnosis verketterd heeft. In een en ander is begrepen; dat
op het stuk van het evangelie der Aegyptenaren juist de
intellectueelen of gnostieken, die door de sprekers: en,
schrijvers, voor de velen als Sethianen, Kaïnieten en
Nahassenen
55
verachtelijk zijn gemaakt, de eigenlijke
‘behoudenden’ kunnen geweest zijn ; dat in de gemeente de
tot ons gekomene canonica beter te gebruiken waren, kan
overigens heel wel zijn aan te nemen. De asketische geest
weliswaar, die uit het Alexandrijnsche evangelie sprak en te
Rome gewerkt had eer Rom. 14: 21 daar geschreven was, de
geest, die nog uit Mt 16 : 24 en verwante plaatsen spreekt,
heeft het huwelijk niet ‘vervloekt’, maar slechts zuiver
gezegd wat er op eene voor de menigte onuitvoerbare wijze in
den oorspronkelijken ‘chreestelijken’ zin voor kuischheid
eigenlijk ligt, wat zonder het noemen der maagdelijkheid
door het evangelische toonbeeld metterdaad geleerd wordt en
ook bijv. naklinkt in Mt 19:12, 22 : 30, Lk 14 : 26, 1 Kor.
7 : l; Joh. 2 : 15 en Openb. 14: 4. Heeft de
Alexandrijnsche Ieesoûs in het evangelie der Aegyptenaren
gezegd, dat we, wanneer we van de wereld niet nuchter
blijven, het Godsrijk niet zullen vinden én den ‘Vader’ niet
zullen zien, wanneer we van den Sabbath geenen Sabbath
maken, — eene uitdrukking, in het voorbijgaan gezegd, die
Justinus Martyr (Dial. 12) met ons in Aegypte weergevonden,
evangeliefragment gemeen heeft, — . dan heeft hij als
Sabbath vergeestelijkende en dus ten halve nog eerende
Vaderverkondiger de zelf-
56
versterving niet in eene bijkomstige prul midden uit
de tweede eeuw, maar in een met onzen brief aan de Hebreeën
verwant evangelisch overgangsgeschrift uit het einde der
eerste geleerd. Voorts heeft de ‘Nahasseensche’ opmerking,
dat de ziel moeilijk te vinden en te begrijpen is, dewijl ze
niet in eenheid van gestalte, vorm of toestand standhoudt,
waardoor ze naar voorkomen of wezen te vatten zoude blijken,
den Romeinschen Hippolytus aanleiding gegeven tot de
opmerking, dat ze die verschillende wisselingen uit het
evangelie der Aegyptenaren hadden, zonder dat hiermede in de
quaestie tusschen het Alexandrijnsche evangelie en onze
canonica iets voor of tegen het eerste gezegd is; wat in
Sap. 8 : 20 te Alexandrië
door- en in Joh. 9: 1—3 te Ephese naklinkt, zoude in het
Alexandrijnsche evangelie kunnen geleerd zijn juist tussehen
het boek der „Wijsheid en het Johannesevangelie in, wat men
niet zal weerleggen uit Origenes bijvoorbeeld, die het
evangelie der Aegyptenaren ouder acht en minder goed dan het
evangelie volgens Luca(nu)s. Het evangelie der
Aegyptenaren moet een Alexandrijnsch verdichtsel zijn
geweest, doch of het met onze evangeliën vergeleken een
jonger verdichtsel was, is zeer te betwijfelenen dat het
niet voor het begin der tweede eeuw geschreven is, blijft
geschiedkundig denkbaar, doch
57
is niet waarschijnlijk. Het Aegyptische evangelie,
waarin men vermaand werd, den Sabbath tot Sabbath te maken,
moet in allen gevalle ouder geweest zijn dan ons
Johannesevangelie, waarin (Joh. 5:8—11) de Zaligmaker
Sabbathschennis gelast en meteen (Joh. 5:17) de wettische
gronding der Sabbathviering opheft. En men moetover het
Evangelie nog slecht hebben doorgedacht, om een
geschrift met plaatsen als Mt.1 : 21, 21: 19 of 27
: 52 als apostolisch te aanvaarden, doch zonder
plichtplegingen als ‘jonger verdichtsel’ een verdrongen
mededinger voorbij te gaan, die bij! ‘Paulus’,
‘Barnabas’ en ‘Clemens’,bij ‘Ignatius’, Papias en
Justinus vermoedelijk gelijkelijk in eere is
geweest en daarom ook niet in een paar fragmenten,
maar in tal van plaatsen naklinkt, weliswaar zonder dat dit
tot dusverre naar behooren opgemerkt is en erkend. Men
bedenke van nu af echter eens voor al: het evangelie
der Aegyptenaren is het evangelie der Alexandrijnen geweest,
en onze kanonieke schriften ‘des Nieuwen Verbonds
zijn allereerst van Alexandrië
uit te begrijpen;
de evangelische Ieesoûs is als hellenistische Jozua uit
een Alexandrijnsch heiligen of profetischen geest
geboren. Zoo staat het geval met het evangelie der
Aegyptenaren ! Dat het geval van het evangelie der
Hebreeën een ‘heel ander’ geval
58
zoude zijn, valt óók te betwijfelen; het Arameesche
evangeliewerk van Palestijnsche Mineeën, van Naçoreen en
Ebioneeën, zal wel niet zonder zijne ‘verbeterende’
afwijkingen te denken zijn, doch het aan de kerkelijke
schrijvers daarvan in het oog gevallene en daarom door hen
herhaalde ziet er niet overweldigend ‘apostolisch
oorspronkelijk’ uit en er is van verschillende zijde
aanleiding voor het vermoeden, dat het Arameesche evangelie
der Hebreeën slechts eene min ofte meer wijzigende en
verbeterende lezing van het Hellenistische evangelie der
Alexandrijnsche ‘Hebreeën’ was, wier stad nu eenmaal een
middelpunt geweest is van eerste Chrestelijke
leeruitstraling.
„The gospel according to the Hebrews,“ zegt de in dezen
althans ten halve opmerkzaam gewordene Englische schrijver
van ‘Supernatural Religion’ (1:419), „under various names,
such as the Gospel according to the Apostles, the Nazarenes,
Ebionites, Egyptians, etc, with modifications certainly, but
substantially the same work, was circulated very widely
throughout the early Church.“ Men heeft echter te bedenken
dat de ‘Ekklesia’ van den beginne, dat de ‘Ekklesia’ van het
begin, eene ‘ekklesia’ was van, Hellenisten en de Ieesoûs
van de Hebreeën allereerst een Ieesoûs van
Alexandrijnen geweest is. Inhoeverre de uit Alexandrië
afkomstige intel-
59
lectueelen, dië zichzelven gnostieken noemden en bij
Hippolytus te Rome Nahassenen (of Ophieten) heeten, het oude
Alexandrijnsche evangelieboek te midden der jongere
‘Chrestelijke’ letteren tot in het begin der derde eeuw
onveranderd bewaard hebben, zal moeilijk uit te maken zijn;
dat zij echter temidden der nieuwere stof, die toen bij hen
te vinden was, nog velerlei bestendigden, wat tot den
achtergrond onzer evangeliën behoord had, is hoogst
waarschijnlijk. Men ga eens na, hoe echt, met onze drie
kanonieke varianten vergeleken, de ‘Nahasseensche’ lezing is
van de Zaaiergelijkenis, die gnostiek evangelische
voorstelling van de Stoïcijnsche leer omtrent den
spermatischen logos (D. L. 7: 136. 157) van den als alles
doordringendën Geest (PI. Ph. 1:7, 17) begrepen Alvader (D.
L. 7 :147), van de leer omtrent de goddeljke redekiem, die
zich langs den weg van het enkel aardsche in het geheel
niet, in het zielige leven nog slecht en eerst in het
geestelijke menschelijke naar behooren ontwikkelt ! „De
Zaaier ging uit om te zaaien. Een deel nu viel bij den weg
en werd vertreden ; een deel op den rotsgrond en het kwam
op, maar omdat het geene diepte had, verdorde het en stierf
af; een deel echter viel op schoonen en goeden grond, en het
bracht vrucht voort, het eene honderd, het andere zestig,
het andere dertig-
60
voud. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!“ (Hippol.
5:8.)
Wie dit nauwlettend met Mt.
13 : 3—9,
Lk.
8 : 5—8
en Mr.
4 : 3—9,
alsmede met Lk
8:11 en
Mr.
4: 14
vergelijkt, zal zichleeren zeggen, dat Mt.
13 : 10-13. 34—35
van
Alexandrië
uit in een evangelie der Aegyptenaren ‘gnostiek’ het eerst
gezegd is.
‘Gnostiek’. „Bij de opstanding,“ zegt nu nog de evangelische
Jozua, „huwt men niet en wordt men ook niet uitgehuwd.“ (Mt.
22 : 30.) En de gnostieken te Rome leerden : „Naar het
eeuwige wezen boven is hij uitgegaan, waar noch
vrouwelijkheid is noch mannelijkheid, maar een nieuw
schepsel, een nieuwe mensch.“ (Hippol. 5:7.) „De Heer heeft
in eene verborgenheid gezegd: Zoolang gij niet rechts aan
links en links aan rechts en boven aan beneden en voor aan
achter hebt gelijk gemaakt, zult gij het Godsrijk niet
kennen.“ Aldus nog apokryphe Handelingen van Apostelen,
allereerst van Petrus, vermoedelijk met het Alexandrijnsche
evangeliewerk als voorlage. Want de gedachte van eenheid
aller verscheidenheid bij wijze van vereeniging en opheffing
der tegendeelen was in Aegyptë tehuis en doortrok daar o. m.
de goddelijke drieëenheden van vader, moeder en zoon; dat de
goddelijke Vader en de godmenschelijke Zoon in den Geest
hunne eenheid hebben, is dan de in
61
het Evangelie geopenbaarde — en schuilende Gnosis, waarvan
allereerst de Alexandrijnsche gnosticus heeft gezegd : „Die
het vatten kan, vatte het.“ (Vgl. Mt 19:12.) „Ingaan, zegt
hij, zal geen onreine, geen zielige, geen vleeschelijke,
maar alleen voor de geestelijken wordt het bewaard.“
(Hippol.
5:8.)
„Het is namelijk, zegt hij, noodig, dat de grootheden worden
gezegd, doch zoo door allen overal gezegd, dat hoorenden
niet hooren en zienden niet zien.“ (T. a. p.) „Niemand is
hoorder van deze verborgenheden, uitgenomen de volmaakte
intellectueelen; dat is, zegt hij, het schoone en goede
land, waarvan Moses spreekt: binnenvoeren zal ik ulieden in
een schoon en goed land, in een land vloeiende van melk en
honig; dat is, zegt hij, de honig en de melk, waarvan de
volwassenen hebben geproefd om nu koningloos te zijn en deel
te hebben aan de Volheid.“ (T. a. p.) „Uitdrukkelijk heeft
de Zaligmaker gezegd
:
Eng en smal is de weg, die ten leven leidt en weinigen zijn
er, die daarin binnengaan, doch breed en ruim is de weg, die
naar het verderf leidt en velen zijn er, die
dáárlangs
ingaan.“ (T. a. p.)
Dat staat zoo niet in Mt 7:13-14 en de intellectueëlen
zullen het wel weer gehad hebben uit het oude
Alexandrijnsche evangelie, waaraan men te denken heeft,
zoodra in de tweede eeuw Helle-
62
nistisch naar het Evangelie wordt gesproken, zonder dat de
weerklank met een of meer onzer canonica woordelijk
overeenkomt en daarom middellijk ook dan, wanneer het den
schijn heeft alsof naar onze evangeliën werd geciteerd. De
Nahassenen of Ophianen, zooals de Alexandrijnsche Clemens de
gnostieken noemde, die in de slang van den dierentuin des
begins een zinnebeeld van den natuurlijken trek naar
geestesontwikkeling zagen, de ‘Ophieten’ hebben bijv.
gesproken van eene gevangene, eene geroepene en eene
uitverkorene gemeente (Hippol. 5 : 6), waarvan de Ecclesia
Catholica, de kerk voor Alleman, de lijdende, strijdende en
zegevierende kerk in vagevuur, wereld en hemel heeft
gemaakt, doch oorspronkelijk met het oog op de synagogaal
geblevene Joden, de ekklesiastieke velen en de gnostieke
weinigen zal gewaagd zijn; waaruit citeeren nu de
Alexandrijnsche ‘Barnabas’ (4 : 14) en de door en door
onkanoniek evangelische Petrus der Homiliën (8 : 4) het
Woord van de vele geroepenen ën de weinige uitverkorenen?
Wat nu zonder behoorlijk verband in Mt 20:16 en 22:14 te
lezen staat, behoort oorspronkelijk tehuis in de
gedachtenwereld, waar men van het aardsche, het zielige en
het geestelijke stelselmatig sprak, waar in overeenkomstige
verhouding van grondige kwaadaardigheid, grimmige
rechtvaardigheid en liefderijke ge-
63
nadigheid de Booze, de Heef en de Vader genoemd werden, en
waar ook 1 Kor. 2:14, 15 : 45-46, 1 Thess. 5 : 23, Jud. 19
hun gnostiek evangelischen achtergrond hebben gehad.
Dat de ‘gnostieken’ de gevangene, de geroepene en de
uitverkorene gemeente naar verhouding van het aardsche,
zielige en geestelijke dachten, heeft Hippolytus Romanus (5
: 6) nog wel geweten. Hij heeft er niet bij verteld, dat zij
de vele zielige geroepenen gequalificeerd hebben als
kinderkens, die bij wijze van evangelische ‘openbaring’
hadden leeren kennen wat boven hun begrip ging en dus voor
hen het bekende ongekende bleef, doch vroeger dan ook door
geen wijzen zoo bedacht was; toch ligt het bij behoorlijk
doordenken voor het grijpen, dat de onvervalschte
evangelische lezing van Matth. 11: 25-27 een echt gnostiek
en Alexandrijnsch logion is te achten, waarom ook Irenaeus
(1 : 20,3) omtrent 185 die plaats den hoogsten door
gnostieken aangehaalden bewijsgrond en de kroon hunner
beweringen noemt. De intellectueelen lazen namelijk in hun
evangelie, en Justinus Martyr, had midden in de tweede eeuw
nog evenzoo gelezen: „Ik loov u, Vader, heer des hemels en
der aarde, dat gij die dingen voor wijzen en verstandigen
verborgen en aan kinderkens geopenbaard hebt; ja, Vader,
want zoo is het uw welbehagen geweest. Alles is
64
mij door mijnen Vader overgegeven en niemand heeft den
Vader gekend tenzij de Zoon, noch ook den Zoon tenzij de
Vader en wien de Zoon het openbaarde.“ (Vgl. Just. Apol.
1: 63 bis, Hom. Clem. 17:4, 18:4.13.) Dat niet bijgeval de
Heer van Mozes maar alleen de Vader van den evangelischen
Jozua goed is, was eene in dien Zoon zelfs den
eenvoudigsten geopenbaarde, zij het ook niet
door hen begrépene leer, die vroegere» ‘wijzen’ niet
hadden bedacht en eerst ‘Mineesche’ gnosis had verkondigd,
waarom dit in de tot ons gekomene lezing van het evangelie
‘naar Matthaeus’ judaïzeerend verduisterd blijkt; „ze leggen
het uit,“ bromt Ireneaus (4 : 6, 1), „alsof voor onzes
Heeren komst de ware God aan niemand was bekend geweest en
den God, die door de profeten is verkondigd, erkennen zij
niet als den Vader van Christus.“ Inderdaad, dat beweerde,
om te beginnen tegen de Synagoge in, de hellenistische
Gnosis; „de Wet,“ zoo sprak zij, „is gegeven door Moses,
doch door Ieesoûs Christòs is de Genade geworden en de
Waarheid.“ (Joh. 1: 17.) De evangelische Zoon was dan ook de
Zoon van eenen Vader, die zich in beginsel tot den
Joodscheni Kyrios of Heer verhield gelijk de zachtheid tot
de grimmigheid, waarom dan ook juist de gnostieken, de
‘Josuaansch’ gewordene Mosaïsten, van den be-
65
ginne de tegenwerpingen te hooren hebben gekregen, die nu in
Rom. 3:8 en 6 : 1 nog altoos naklinken. Volgens Irenaeus (2:
9,
2)
was de god der Joden den gnostieken een leugenaar, omdat hij
zich voor den hoogsten god had verklaard; alleen de
hemelsche Vader is goed, zeiden Ophieten,
Valentinus en
...
Justinus, zoodat in dezen een berëids ‘katholizeerend’
schrijver nog evenzoo spreekt als de gnostieke tijdgenoot,
die uit de school der ontjoodschte Alexandrijnsche gnosis
(Iren. 1:11, 1)
was voortgekomen.
„Aegyptenaren,“ schrijft Hippolytus Romanus (Ref. Heer.
4: 43),
„hebben gezegd, dat God ondeelbare eenheid is en deze
zichzelve voortbrengt, dat uit haar alle dingen worden
voortgebracht.“ Ook dé booze! Doch Mazdajaçniërs bijv. zijn
tot de overtuiging gekomen, dat Ormazd nog eens Ahriman zal
overmannen en de schrijver van 1 Kor. 7:31 beweert, dat de
gedaante dezer wereld voorbijgaat, opdat, zegt hij in 1 Kor.
15:28, God alles in allen zij. Tusschen die beide
leerpunten, de polen der voortbrenging en terugneming,
zweeft oorspronkelijk het Evangelie met zijn
voorbeeldelijken Zoon (Joh. 16 : 28) als eene zinnebeeldige
blijde boodschap vol wijsheid van Alexandrijnsche, eerlang
ook naar Rome en elders overgekomene, Mineeën of
philosopheerende Joden,
66
intellectueelen, die gedachtig waren geworden aan de
verhouding tusschen Duivel, Heer en Vader, tusschen
boosheid, rechtvaardigheid en goedheid, tusschen
stoffelijkheid, zieligheid en geestelijkheid, en zoo dan
van godsdienst waren gekomen tot religie, de
religie van de waarheid en de vrijheid in den Zoon van den
hemelschen Vader, met wien de eerste als „de mensch uit den
hemel“ (1 Kor.15 : 47) een is in den Geest áls de ware of
zuivere en heilige geest. „De Geest,“ zeiden de
intellectueelen, „is waar de Vader is en heet, uit dien
Vader voortkomende, ook Zoon.“ (Hippol. 5 : 9.) „Ik ben gij
en gij zijt ik,“ leerde hun geest, „en overal waar gij zijt
daar ben ik ook, en in alles ben ik verspreid, en van waar
ge moogt willen verzamelt ge mij, doch mij verzamelend
verzamelt gij uzelven.“ (Epiph. 26:3.) „Ieesoûs spreekt:
Waar men ook moge zijn, men is er niet zonder God en evenals
iemand alleen is, zoo ben ik met hem; licht den steen op en
ge zult me daar vinden, kloov het hout en ik ben erbij.“
Aldus het Evangelie in Aegypte! „Evangelie,“ zegt van de
Basilidianen Hippolytus (7:27), „is bij hen de kennis van
het bovenwereldsche,“ doch die kennis had eene binnen en
eene buitenzijde en naar buiten of van buiten was zij
bekendheid met eene zinrijke voordracht, waarin beeldsprakig
aan
67
het gelóóf werd voorgehouden, dat uit het Jodendom tot de
volkeren het ware nu gekomen was. Dat onze Alexandrijnsche
evangelisten van den waren Jozua voordroegen wat een Rots
van eenen zegsman, een Hellenistisch door zekeren Marcus
vertolkte ‘Petros’ als woordvoerder van twaalf Palestijnsche
oog- en oorgetuigen had weten te vertellen, is eene
waarmerking van het historisch romantische slag, zooals men
reeds bedacht had voor de Alexandrijnsche wijsheid van —
Salomo en eerlang o. a. ook Basilides en Valentinus coram
volgo hebben voorgewend; het is dus uit den geest dier
tijden te begrijpen, waarin met zulke betrekkelijk
onontbeerlijke bedenkseien geen kwaad werd bedoeld. Hun
Evangelie heeft overigens nog heel wat ‘verbeteringen’
ondergaan, eer de ecclesia der velen, de ecclesia catholica,
de viervoudige lezing bezat, die zij voortaan als het eohte
apostolische zoude laten gelden, waarvan als proeve hier
alleen nog dit.
Na den kruisdood heeft de Alexandrijnsche Proto-Marcus
zooals wij zouden kunnen zeggen, het (Petrus-)evangelie der
Aegyptenaren, het verhaal gehad van eene wonderbare
vischvangst in Galilaea, waarvan de zin in Lk 5:10 nog
naklinkt in, het ter plaatse niet meer passende woord, dat
Simon Petrus van nu af menschen zoude vangen.
68
Een humoristisch logion ! Van die vischvangst na den
kruisdood wordt niet meer gerept in de lezing van het
evangelie ‘volgens Matthaeus’; wel echter heeft ze weer
gestaan in onze lezing ‘volgens Marcus’, doch aan het einde
van het te Jeruzalem blijvende Lucanusevangelie niet en in
het Ephesische evangelie ‘volgens Johannes’ ook niet. Zoo
was er te Rome, waar alles tezamen kwam, strijd tusschen den
Romeinschen ‘Marcus’ en de in dezen min Alexandrijnsche
varianten en heeft men Mr. 16 : 9 vlg. weer weggesneden, om
het eerlang te vervangen door het ons bekende slot, dat
echter niet in alle handschriften is doorgedrongen. Lk. 5 :
10 en het te Rome later toegevoegde verhaal van Joh. 21
blijven achterna getuigen, dat in het jongere
Petrusevangelie, waarvan in Aegypte een stuk is weergevonden
en de geestverwantschap met den eersten Petrusbrief niet te
miskennen is, dat in het Petrusevangelie met zijne Twààlf,
die treurend en weenend (vgl. Joh. 16:20, Lk 24:17, Mr
16:10) weer naar huis zijn gegaan, en zijnen Petrus, die in
Galileea (vgl. Mt 28 : 7 en Mr 16 : 7) maar weer uit
visschen, doch daarmede verre van de plaats der latere
gewaande Moedergemeente eene verschijning van den
Gekruisigde tegemoet gaat, het slot van het
oorspronkelijke Evangelie was bewaard gebleven;
69
dat slot is dan voorondersteld in Lk 24: 34 (vgl. 24 : 12)
en bij ‘Ignatius’ aan de Smyrneeën, waar naar de Leer van
Petrus, zooals Origenes en naar het evangelie der Hebreeën,
zooals Hieronymus beweerd heeft, verhaald wordt, dat aan
Petrus en diens kring de Gekruisigde in het lichaam is
verschenen. Ook ‘Ignatius’ las dus nog het Aegyptische
evangelie, het Petrusverhaal der Alexandrijnsche ‘Hebreeën’
; we zien meteen, dat in 1 Kor. 15: 5, met zijne
verschijning eerst aan Kefa en daarop aan de Twaalf,
al evenzeer naar den gnostieken ‘Proto-Marcus’ wordt
verhaald en dus de verrader Juda synoptisch, dat is min ofte
meer speciaal Romeinsch, bedenksel is te achten. Justinus
Martyr, met zijne ‘Herinneringen van Petrus’ nog voor zich,
meent den persoonlijken verrader even weinig als onze
Paulusbrieven en dat het nog eens verpersoonlijkte
ondankbare Jodendom wel voorkomt in ons evangelie ‘volgens
Marcus’ (14: 10-11); is een van de vele teekenen, dat dit
geschrift niet is op te vijzelen als het bij Papias bedoelde
‘Petrinisehe’ Marcusverhaal.
Zietdaar een van de vele gevallen, waarin de Alexandrijnsehe
en gnostieke achtergrond onzer evangeliën, het oudste en
zinnebeeldige verhaal van den waren Jozua, den door
vernedering tot heerlijkheid gekomen hoogepriesterlijken
Jozua,
70
door de jongere en zichtbaar geblevene voorhangselen heen
voor het kritisch turende en zoekende geestesoog weer hall
en half waarneembaar wordt. En
daarmede eindige dan weder deze poging, om zonder
eenzijdigheid van ‘niets bewijzende’ bespiegeling, van dood
werktuiglijke feitenjacht of negatief geschiedkundige
‘aftrekmethode’ in eenheid van wijsgeerige
geschiedenisbeschouwing het werkelijke uitgangspunt des
Christendoms voor vrienden der waarheid aan voorhandene
gegevens kenbaar te maken. In 1835 heeft de Hegeliaan Vatke
omtrent de wording des Pentateuchs voor het eerst het besef
geopenbaard, dat met verzwijging van de verdiensten in dezen
der Hegelarij thans als eene uitkomst geldt van
‘philosophie-vrij’ geschiedkundig onderzoek; hier heeft een
Hegeling van 1907, na vlijtige studiën’ bij de Hegelloozen,
het inzicht voorgedragen, dat men nog eens als de eigenlijke
uitkomst van de geschiedkundige onderzoekingen omtrent het
Evangelie zal erkennen. Waarom dan echter ook meteen nog
eens vooruit gezegd zij, dat door geene historie zonder meer
het eigenlijke begrip der zaak bereikt wordt!
„L’historie n’atteint pas le fond des choses,“
heeft
Alfred Loisy
terecht gezegd. Wie nu inmiddels den gezichtshoek, waaruit
het bovenstaande is opgemerkt en aan-
71
gewezen, verkeerd en ‘overdreven’ of onhoudbaar acht en
hiervan dan met opgave van redenen getuigen wil, zal
geschiedkundig moeten aantoonen, dat de evangelische
Heiland niet een tot symbool verheven Jozua heeft te heeten
en de evangelische lijdensgeschiedenis niet uitkomt tegen
eenen achtergrond van Alexandrijnsche wijsheid (vgl. Wijsh.
2:12—20); exegetisch en vergelijkend geschiedkundig zal hij
daarbij onder meer ook moeten wegredeneeren, dat de
gelijkenis van den Zaaier met de daaraan vastgeknoopte
opmerkingen over het onvermogen van ‘buitenstanders’ om
‘verborgenheden’ te begrijpen en het voorrecht, dat in dezen
den ingewijden te beurt valt, het Evangelie als de vrucht
eener bespiegeling van een Hellenistischen ‘clerus’ voor
stichting behoevende ‘leeken kenmerkt.“ Het onderscheid
tusschen uitverkorenen, die ‘er achter’ zijn en volk,
waarvoor ‘gepreekt’ wordt, gaat van den wortel aan het
Evangelie uit en die wortel is voortaan niet meer te zoeken
in het Joodsche land. De naam van den evangelischen Heiland
en Zaligmaker is gnostiek Alexandrijnsch; het woord
omtrent de openbaring aan kinderkens van wat geen wijzen
(of hhachamiem’) geweten hadden, is gnostiek en
Alexandrijnsch ; de evangelische wonderdaden zijn gnostieke
zinnebeelden ; de Zaaiergelijkenis met
72
bijbehoorende gnostieke opmerkingen is Alexandrijnsch ; dat
alleen ‘de Vader’ goed is, het is weer Alëxandrijnsch ; de
Petrinische of ‘rotsvaste’ belijdenis, dat Ieesoûs de
Christòs is en de leer, dat die ‘Gezalfde’ ... lijden en
sterven moet, — de passio Christi, zijn óók al weer
voorstelling en uitbeelding van Alexandrijnsohe wijsheid; en
evenzoo is de herleving des Heilands ‘evangelisch’
Alëxandrijnsch, zinnebeeldig en voorbeeldelijk
Alexandrijnsch. Het heele Evangelie is oorspronkelijk
Alexandrijnsch; het was om te beginnen een evangelie van;
‘Mineesche’ Aegyptenaren.
Zietdaar de slotsom van dit onderzoek. Schrijver dezes voor
zijn deel is bij alle bereidwilligheid tot erkenning van
onvolmaaktheden en tekortkomingen, van misstellingen en
onjuistheden, waar die mochten worden aangetoond of door
hemzelven nog zullen worden ontwaard en ingezien, onder
voorbehoud ook in het algemeen van de onmogelijkheid, dat
iets ooit eigenlijk zoude kunnen heeten zijnen oorsprong in
dit ‘of dat zonder meer te hebben gehad, voorloopig
overtuigd, dat hij nu daarmede aan landgenooten, die van
goeden wille zijn, over den oorsprong des Christendoms eene
betrekkelijk inderdaad afdoende of bevredigende aanwijzing
gegeven heeft. Deze aanwijzing, die bij aanvaarding dan
weliswaar niet enkel voor
73
leerstellige geloovigheid van het ontoerekenbare slag, maar
ook voor de gelijkvloersche vrijzinnigheid van een
blootelijk ‘kritisch-historisch’ protestantisme, zooals dat
een vijftig jaar geleden ten onzent opgekomen doch nu alweer
uitgebloeid is, eene zelfopheffing en zelfveredeling
beteekent, die geen man van begrip ooit zoo in eens
verwachten zal, — vooronderstelt die ‘afgeleefd moderne’
geestesbeweging in haar geheel, en had zonder haar niet
kunnen verstrekt worden; van de eene zijde is zij er zelfs
een laatste woord van, gelijk het dan wel meer gebeurt, dat
iets zijn vollen zin komt openbaren, wanneer het af- en
uitsterft. En het lijdt geen twijfel: niet alleen de
kinderlijk leerstellige geloovigheid maar ook de eenzijdig
vrijzinnige ‘godsdienstigheid’ onzer theologische
faculteiten heeft haar besten tijd gehad ; als factor van
den vooruitgang heeft het oude ‘modernisme’ zoo goed als
afgedaan, terwijl de echte geest onzer dagen boven vroeger
onnadenkend geloof en eenzijdig overgebleven .ongeloof
alweer gelijkelijk uitgaat. Waar echter is het daartoe
benoodigde pathos der waarheid in ruime mate eigenlijk onder
ons te vinden? In onze banaal ‘wetenschappelijke’ kringen
vooralsnog allicht het minst; juist daar dus het minst, waar
men niet banaal moest zijn en geschriften gelijk deze
‘aanwijzing’ het grondigst
74
moesten worden overdacht en besproken. Doch het is niet
anders : de wetenschap is een ambacht geworden, waarbij voor
iets daarbuiten de hoogleeraar niet veel meer tijd of lust
overhoudt dan de ambachtsman in den meer letterlijken zin
des woords. „Waarom het schrijver dezes dan ook geene,
teleurstelling kan zijn, dat te midden van lichtschuwe
geloovigen en even ongeestelijke ‘ongeloovigen’ weer
weinigen naar dit boekje zullen grijpen en allereerst eene
‘deskundige’ lusteloosheid er zooveel doenlijk, des nood
zijnde na een paar chicanes, gemakshalve over blijft...
zwijgen.
Leiden, Mei 1907.
|