|
HET OUDE TESTAMENT
ALS CHRISTELIJK GESCHRIFT
DOOR
G. A. VAN DEN BERGH VAN EYSINGA1)
Nieuw Theologisch Tjdschrift 1936
Het wonderlijke feit, dat de
Bijbel der Christenen voor drievierdedeel uit de
Heilige Schrift der Joden bestaat, moet een
wetenschappelijk denkend mensch wel bevreemden,
zoodra hem de oogen hiervoor opengaan. Voorzoover
mij bekend werd aan dit feit tot nu toe
slechts zelden en dan nog onvoldoende aandacht
gewijd. In de volgende bladzijden wil ik een poging
wagen, dit op het eerste gezicht zoo zonderlinge
verschijnsel te verklaren; m.i. hangt het samen met
den strijd, dien de Katholiek wordende kerk met de
Gnosis te voeren heeft gehad.
Volgens het thans gebruikelijk ritueel van de
bisschopswijding moet de aanstaande bisschop
toestemmend antwoorden op de vraag: „Credis etiam
Novi et Veteris testamenti, legis et prophetarum et
apostolorum unum esse auc-torem, Deum ac Dominum
omnipotentem'?" Het Vaticaansche Concilie verwees
naar Trente, dat den catalogus van de Heilige Boeken
heeft vastgesteld, „die geheel en met al hun
onderdeelen" als „heilig en kanoniek" moeten worden
aangenomen. Maar er' wordt dan nog aan toegevoegd:
„En de Kerk erkent deze boeken als heilig en
kanoniek, niet omdat zij als zuiver menschenwerk
zijn geschreven en vervolgens door haar gezag
goedgekeurd zouden zijn; ook niet alleen omdat zij
openbaring zonder dwaling bevatten; maar op grond
van het feit, dab zij, onder ingeving des Heiligen
1)
Aan deze verhandeling ligt ten grondslag de
voordracht, die ik 17 Sept. 11. op het Congrès de
l'Histoire des Religions te Brussel heb gehouden.
112
Geestes geschreven, God tot auctor hebben en als
zoodanig aan de Kerk zijn gegeven". Ziedaar de
Roomsch-Katholieke leer. En Calvijn zal schrijven:
„de Heilige Geest is de auteur der Heilige
Schriften; veranderlijk en in tegenspraak met
Zichzelven kan Hij niet zijn". Oud en Nieuw
Testament zijn dus volgens Roomsch-Katholieke en
oud-Protestantsche opvatting onverbrekelijk
verbonden. Waartegen dan protest niet uitgebleven
is. De vraag mag zich heden ten dage vooral bij onze
Oostelijke buren in een groote actualiteit verheugen,
helaas niet in den zin der onbevooroordeelde
wetenschap. Reeds vóór het derde Rijk heeft Harnack,
nòg radicaler dan de groote ketter Marcion, het Oude
Testament willen laten varen, om zich des te vaster
te klampen aan het Nieuwe, omdat de Kerk toch een
kanon noodig heeft1). En nog onlangs
heeft de te vroeg ontslapen Windisch een zekere
vrijheid tegenover het Oude Testament opgeëischt
2).
Dat Marcion God niet als Schepper der wereld, maar
slechts als Verlosser van het menschdom heeft
beschouwd, mag algemeen bekend worden geacht.
Volgens Tertullianus 3) wilden de
Marcionieten de werken van den Schepper vernietigen;
de hoogste God kon bij hun pessimistische
wereldbeschouwing onmogelijk schuldig staan aan een
zoo onvolmaakte schepping. Waarmede dan hun
volledige verwerping van het Oude Testament
samenhing. Justinus weet te vertellen, dat deze
dwaalleer der Marcionieten over het geheele
menschdom verspreid is geweest en haar aanhangers er
niettemin groote waarde aan hebben gehecht, om „Christenen"
te heeten 4). Intusschen schijnt in de
oorspronkelijke leer van Marcion de tegenstelling
niet die tusschen Wet en Evangelie, maar die
tusschen Natuur en God te zijn geweest. De Demiurg,
die het eeuwige leven en den waren God niet kent,
heeft den mensch de Natuurwet opgelegd; hij
1)
Zie dit tijdschrift, 1921: 225.
2)
T.a.p., 1935:378.
3)
Adv. Marc. I 13 en 17.
4)
Apol. I 26, 5 v.; vgl. Tert., adv.
Marc. V 19 en bij het volgende: Kayser in Theol. Studien
und Kritiken, 1929, S. 279 ff.
113
straft en beloont hem op rechtvaardige wijze. De
mensch komt echter deze gebondenheid aan de Natuur
te boven, doordat hij zondigend met de Natuur breekt.
Opzettelijk moet hij de Natuurwet schenden om zijn
tyran, den God der Natuur, te beleedigen, tot
straffen te dwingen en zoo voorgoed van zich te
vervreemden. De Wet is een beletsel voor het geloof;
daarom moeten Natuur en Wet aan de verachting worden
prijsgegeven. Marcion poogt deze Natuurwet in de Wet
van Mozes terug te vinden; het Gnostische
νόμος-begrip is νόμος
th/j
κτίσεως, kosmische wet, in tegenstelling tot de
χάρις 1). Gelijk naar Marcion's
opvatting Christus, Godsrijk en Evangelie
bijeenbehooren, zoo ook Wereld, Wereldschepper, Wet
en Wetgever, Vóór Christus was de ware god ten
eenenmale onbekend; van profetieën, die op hem
doelden, kon dus geen sprake zijn. De Godszoon der
Marcionieten heeft geen getuigenissen vannoode, want
de machtige woorden van den Heiland en diens
wonderdaden hebben in zichzelven overtuigende kracht
genoeg 2). In dit opzicht was Marcion het
dus eens met de Joodsche verklaarders van het Oude
Verbond. De profetieën waren in David, Salomo,
Hizkia e.a. vervuld of zouden in de Joodsche
godsdienstgeschiedenis nog vervuld worden. Marcion
vatte het Oude Testament letterlijk op, weshalve
Origenes zijne volgelingen
purae historiae deservientes kon noemen
3).
Marcion's stelsel was bijna geheel vrij van het
mythologische bijwerk, dat voor de overige Gnosis
kenmerkend mag heeten, „der reinste Ausdruck
des neuen Weltgefühls" 4), het
revolutionaire hoogtepunt van de ontwikkeling der
Gnostiek. Christus heeft ons volgens hem verlost van
de wereld en haar god om ons tot kinderen van den
nieuwen, vreemden God te maken. Hierbij mogen wij de
vraag stellen, of dit nu niet juist de opvatting van
het oorspronkelijke Christendom is geweest en of de
breuk van de Christengemeente te Rome
1) Vgl. Hans Jonas, Gnosis und spätantiker Geist
I, Göttingen, 1935, S. 208.
2)
Origenes, Comm. in Joh., II 199.
3) Comm. in
Matth., III 333.
4) Hans Jonas, a.a.O.,
S. 173.
114
met Marcion in Juli 144 haar ontstaan niet te danken
heeft gehad aan het feit, dat deze gemeente, in haar
verzet tegen een veel wildere Gnosis, toen meer dan
ooit traditie en lettergezag vannoode had. Hierdoor
zou dan een betrekkelijk oudere opvatting als
heterodox zijn gebrandmerkt, ofschoon, deze
eigenlijk allesbehalve „wilde" Gnosis was.
Heterodoxie is niet immer modernisme of
nieuwlichterij; integendeel, ook wel eens handhaving
van een standpunt dat, tengevolge van gewijzigde
tijdsomstandigheden, door de meerderheid wordt
verlaten en daarom verouderd geacht.
Nu was Voor Marcion Paulus de Apostel. Karl
Barth maakte eens de volkomen juiste opmerking, dat
het Paulinisme zich steeds op de grens der ketterij
heeft bewogen 1). Marcion heeft eerder
dan de wordende Kerk een corpus Paulinum
bezeten en de Kerk heeft dit weliswaar overgenomen,
maar dit ging niet zonder een grondige bewerking. In
zijn Urchristentum heeft Johannes Weiss er
reeds op gewezen, dat wij in de gezamenlijke
Paulusbrieven geen oorspronkelijke, maar
overgewerkte, geredigeerde geschriften vóór ons
hebben.
Niet enkel Marcion heeft zoo over het Oude Testament
gedacht ; ook de Basilidianen hebben het voor een
product van de Wereldschepper gehouden; inzonderheid
de Wet achtten zij afkomstig van hun overste, die
het volk uit Egypte had uitgeleid 2).
Valentinus, Herakleon en Markos hebben in deze
opvatting gedeeld: de onvolmaakte Wet kon niet door
God, maar moest door den Demiurg gegeven zijn 3).
Ondanks deze opvattingen was het Oude Testament dan
toch maar een boek van buitengewone beteekenis.
Zelfs de Grieken konden geen gelijkwaardig werk
daartegenover stellen. Was het niet naar het oordeel
van die dagen ouder; dan hun oudste wijsgeeren? Tot
de heidenen zegt Tertullianus: „bij U gaat de
geschiedenis niet verder terug dan tot, de
Assyriers; wij echter, die de goddelijke geschriften
lezen, wij bezitten de geschiedenis van de
geboortetijden der we-
1)
Römerbrief, 1924, S. XVI.
2)
Irenaeus I 24, 5
3)
Cf. Epist. ad Floram.
115
reld af" l). De scheppingsverhalen der
Grieksche kosmogonieën konden in verhevenheid de
Joodsche niet evenaren, die bovendien volmaakt
helder en begrijpelijk waren en derhalve boven de
philosofie èn de mythe gelijkelijk schenen uit te
zijn. Toentertijde hield men, gelijk nu ook nog wel
in sommige kringen, het oudste voor het beste. In
deze Joodsche oergeschiedenis van het menschdom was
de Vader van liet heelal een geestelijk beginsel;
geheel in overeenstemming met de eischen der
wijsbegeerte. Deze Godsopenbaring sprak zich niet in
enkele afzonderlijke orakels uit, maar betoonde zich
doorloopend werkzaam in de geschiedenis. Hier smolt
de idee van het goddelijke gericht samen met
de idee van God-Schepper en God-Leider-der-Historie.
Eerst op dezen grondslag kon een samenhangende
wereldgeschiedenis worden opgebouwd. Voor den
godsdienst der profeten wortelt de gemeenschap met
God in de historie 2). Terecht beweert
dan ook Wernle : „de Israëlieten hebben als geen
ander volk de kunst verstaan, hun godsdienst als
geschiedenis te beleven en te beschouwen"
3).
Zoo verscheen dit oude boek in zijn veelzijdigheid
en uitvoerigheid als „ein literarischer Kosmos", als
„ eine Parallelschöpfung der Welt", gelijk Harnack
4) het heeft uitgedrukt. Door de
vertaling der Zeventig had het reeds een
helleniseerende bewerking ondergaan, waardoor het
tot een eenheid was geworden en gezuiverd van naïeve
voorstellingen en verrijkt met de platonische
onderscheiding van stof en vorm. Jahwe is Kyrios
geworden; de groote epifanie van den groo-ten God
vond plaats, een feit van wereldhistorische
beteekenis 5), waardoor de Bijbel van een
volk tot den wereldbijbel werd. Wat er aan
Semietismen en Semietische eigennamen bij
1)
Justinus, Dial. 7; Tert., de pallio 2.
2)
Tert., Apol. 4G. Symmachus, Relatio III 8 ed.
Seeck weet van een longa aetas, die aan de
godsdiensten gezag verleent.
3)
Vgl. Johannes Hempel,
Altes Testament und Geschichte. Studien des
Apolog. Seminars, 27
Gütersloh 1930, S. 127.
4)
Die Mission und
Ausbreitung des Christentums in den ersten drei
Jahrhunderten, Lpz. 1912, S. 205.
5)
Vgl. A. Deismann in Neue Jahrbücher für das
klass. Altertum, 1903,
I 172 ff.
116
de vertaling was blijven staan, oefende een magische
werking op de menigte uit. Philo kan terecht zeggen:
„Onze Wet heeft alle menschen onderworpen en
vermaant hen tot deugd: barbaren en Grieken, de
bewoners van het vasteland en van de eilanden, de
volkeren van het Oosten en van het Westen, van
Europa en Azië, alle volkeren der aarde" 1).
En Josephus beweert: „zelfs indien wij, Joden, de
voorrechten van al deze wetten niet op prijs zouden
kunnen stellen, dan zou de menigte van haar
aanhangers (onder de heidenen) ons reeds met trots
daarop moeten vervullen" 2).
Elke prediking, die zich nog niet op eene litera
scripta kon beroepen, moest het wel afleggen
tegenover deze absolute aanspraken, die het Oude
Testament deed gelden. Een veelzeggend woord van
Theophilus (tijdens Marcus Aurelius) luidt: „de
heidensche schrijvers zijn er op gesteld, een massa
boeken te schrijven.... en gij meent, dat de
geschriften bij ons gloednieuw en van reeen ten
datum zijn. Daarom zal ik u aantoonen, hoe geweldig
oud onze geschriften zijn". Tegenover de klassieke
schrijvers beroept Theophilus zich dan op het Oude
Testament, dat de geschiedenis van de schepping, de
wetgeving en profetieën bevat. Wat de gerechtigheid
betreft zijn profeten en evangeliën eenig in hun
soort. Zij hebben door denzelfden geest gesproken
(vgl. Hebr. 1:1), want in beide Testamenten is één
en dezelfde openbaring aan het woord 3).
Gelijk een Neoplatonicus Orphische geschriften
citeerde om aan zijn leeringen een antieke kleur te
geven, zoo kon alweer de Neoplatonicus later
tegenover de Christenen de Orphische gedichten
uitspelen, die immers de Christelijke waarheid ook
al behelsden, nl. de leer van een waarachtig
geestelijke gemeenschap tuschen God en mensch, van
het dualisme van geest en lichaam, van een leven na
dit leven. De Orphische bronnen waren dan wel eens
wat heel rauw, maar door allegorische verklaring
konden zij aannemelijk warden gemaakt. In dat
opzicht waren de Christenen, overi-
1)
Vita Mosis II 137 vv.
2)
Contra Apionem II 39.
3)
Theophilus ad Autol. III 1 en 12
117
gens de voorgangers der Neoplatonici in deze
beproefd gebleken tactiek, heel wat gelukkiger
geweest; ook al kwam men met het Oude Testament
evenmin zonder allegorische verklaring uit,
Scheppings- en Paradijsverhaal waren opzich-zelf van
edeler gehalte dan de theogonieën en de sagen van
Dionysos' gewelddadigen dood en van het ontstaan der
menschen uit de asch der door Zeus neergebliksemde
Titanen.
De Christelijke propaganda kon slechts groote
voordeelen verwachten van de toëeigening van de
Joodsche Heilige Schrift. Daarvan gold namelijk, wat
Rufinus van de geschriften van Hesiodus en Orpheus
zegt, dat men er twee deelen in kan onderscheiden en
wel naar gelang zij letterlijk of allegorisch
verklaard willen worden; de letterlijk op te vatten
gedeelten trekken de alledaagsche geesten aan, maar
de allegorisch verklaarde maken altijd de
bewondering en de welsprekendheid gaande van de
wijsgeeren en geleerden 1).
Tevergeefs hebben de Joden zich er tegen verzet, dat
men hen van hun heilige Schrift beroofde om deze met
behulp van allegorische interpretatie voor de
verbreiding van een dwaalleer te laten dienen 2).
Hetzelfde heeft Nietzsche later gevoeld, toen hij in
krasse termen te kennen gaf: „het is een ongehoorde,
wereldhistorische truc, een ongehoorde philologische
klucht, om den Joden hun Oude Testament onder het
lijf weg te trekken", Zelfs wisten de Christenen uit
de boetpredikaties der Profeten het bewijs te halen
dat de Joden in het geheel geen verbond meer hadden
met God, zoodat deze verzameling van diepzinnige en
mysterieuze orakels den Christenen toebehoorde, die
de oplossing van het raadsel hadden leeren kennen.
Hun waarde gaat geheel en al hierin op, dat zij het
Nieuwe Verbond profeteeren. Mozes heeft over Jezus
geschreven en de Wet is een aankondiging van
Christus (Joh. 5 : 46; 1 : 46). Ondanks hun
onvolmaaktheid zijn de Christenen het volk Gods, dat
in tegenstelling met
1)
Fragm. 133 bij O. Kern, Orphica.
Vgl. W. K. C. GUTHRIE, Orpheus and Greek
Religion, Lo. 1935, p. 18.
2)
Orig., c. C. I 50; II 28: „de Christenen geven aan
de Oudtestamentische profetieeën een uitlegging, die
totaal niet klopt met haar oorspronkelijker zin,
beweren de Joden".
118
het verstokte, zichzelf verheerlijkende Israël, door
God in genade is aangenomen (1 Pe. 2:9); zij
zijn de besnijdenis, het volk Israël naar den geest,
Abrahams zaad, het heilige volk de twaalf stammen
(vgl. Phil. 3:3; Gal.3 : 29 enz.).
Het spreekt vanzelf, dat uit het Oude Verbond alleen
dat werd aangenomen wat voor Christelijke
interpretatie vatbaar; was, of, zooals Schrenck het
op Protestantsch-recht-zinnige wijze uitdrukt: „de
Schrift heeft slechts in zooverre gezag als zij van
de in vervulling gegane heilsgeschiedenis in Christo
uit verklaard kan worden. De gedachte van het gezag
des Ouden Testaments wordt gedragen door de gedachte
der vervulling en daardoor gewijzigd" 1).
Eenvoudiger uitgedrukt: wat men in het Oude
Testament niet gebruiken kon, had dan ook géén gezag
en werd in 't duister gelaten. Wie de volkomen
gelijkwaardigheid der beide Testamenten zou, willen
prediken, verklaarde hiermee tevens, dat het Nieuwe
overbodig was en had kunnen uitblijven. De
typologische beschouwing maakte dat het Oude, sub
specie Christi gelezen, deels gezaghebbend,
deels opgeheven Godswoord werd. De ceremoniëele wet
achtte men niet langer van kracht; was zij niet
tusschen profetie en vervulling ingevoegd als middel
tot voorbereiding en opvoeding met het doel om de
zonde voorloopig te beteugelen? Een doel,
dat eerst onder het Nieuwe Verbond ten volle kon
worden bereikt 2).
In de katholiseerende Pastoraalbrieven wordt het
zeer duidelijk gezegd, dat ieder geschrift door God
is ingegeven en nuttig ter onderrichting, ter
weerlegging (van de ketters), ter bekeering en
opvoeding in de gerechtigheid, opdat de man Gods
volmaakt zij, tot alle goede werken bereid (2 Tim. 3
: 16). Waarbij Dibelius dan terecht aanteekent:
„bekwaam tot den strijd tegen de dwaalleer" 3).
Hoe welkom moest dan de monotheistische . kosmologie
en natuurbeschouwing van het Oude Testament zijn aan
de wordende Kerk in haar worsteling tegen de wilde
bespiegelingen van de Gnostieken. Tatianus erkent,
dat de Joodsche heilige
1)
In G. Kittel, Theol. .Wörterbuch I 760.
2)
Iren. IV 16, 3-5; dezelfde, Epideixis, T.U,
31, 1, Lpz. 1007.
3)
Lietzmann's Handbuch 132, 8. 75.
119
Schrift hem tot het Christendom heeft gebracht:
„deze leeringen heffen de slavernij op, die in de
wereld heerscht, en onttrekken ons aan de vele
machthebbers en tallooze tyrannen. Niet, dat zij ons
iets geven, dat wij niet reeds ontvangen hebben,
maar wel iets, dat wij, ofschoon wij het ontvingen,
door de dwaling verhinderd werden te bezitten"
1). Deze dwaling is wel dezelfde πλανή
als bij Justinus: „de geesten en daemonen der πλανή
2), blijkbaar Gnostische leeringen, waartegen
het Oude Testament een tegenwicht kan vormen, te
meer omdat dit de voordeden bezat, door Tatianus ter
aangehaalder plaatse opgesomd: onopgesmukte
bewoordingen, ongekunstelde eenvoud, bevattelijke
voorstelling omtrent de wereldschepping,
voorwetenschap aangaande de toekomst,
voortreffelijkheid van verordeningen en Gods
alleenheerschappij over het heelal. De booze geesten
verleiden de menschen tot Gnostische ketterijen en
berooven hen van hetgeen zij als Christenen wel
bezitten doch niet vermogen vast te houden: bevrijd
te wezen van de slavernij onder de kosmische
archonten en tyrannen.
Uit den eersten Clemensbrief blijkt, dat de waarde
van het oude Testament voor de kerk voornamelijk
hierin bestaat dat het door zijn God-Schepper het
afglijden naar een kring van voorstellingen
belemmerde, volgens welken ondergeschikte wezens, ja
zelfs de duivel de wereld zouden hebben geschapen.
Aldus bleef het verband tusschen schepping en
verlossing bewaard en was het onmogelijk, verlossing
op te vatten als verlossing van de schepping 3).
Terwijl Basileides in den brief aan de Romeinen (5 :
19 vv.) gelezen heeft, dat de Schepping als product
van den Demiurg de Godskinderen als hinderlijke
Fremdkörper verlangt uit te stooten, geeft de
Kerk daarentegen in onzen kanonieken brief de
lezing, volgens welke de schepping op de openbaring
der Godskinderen wacht en zelve op heiliging
1)
Orat. 29.
2)
Dial. 7 : 3; cf. 1 Tim. 4:1.
3)
Walter Bauer, Rechtgläubigkeit und Ketzerei im
ältesten Christentum. Beiträge zur historischen
Theologie 10. Tüb. 1934, S. 203, vgl. S. 107
120
hoopt. Hier vertegenwoordigt dus de Gnosis de wereld
vlucht, de wordende Kerk de wereldlieiliging 1).
Naar kerkelijke opvatting waren Jezus' komst en
geschiedenis reeds sinds duizenden van jaren
voorspeld. Bij den schrijver der Praedicatio
Petri, die, evengoed als Tatianus erkent, dat
hij zijn Christelijk geloof te danken heeft aan het
Oude Testament, lezen wij: „de profetische
geschriften noemen deels in gelijkenissen, deels in
raadselen deels met gezag-in eigen woorden den
Christus Jezus en bevatten ook zijn verschijning,
dood en kruis, opwekking en opnemen in den hemel
voordat het oordeel over Jeruzalem komt" 2).
Bij deze opvatting kon de geheele
Evangeliegeschiedenis uit het Oude Testament worden
afgelezen, en kon men de meening koesteren, dat in
de Christelijke kerk de diepste beteekenis van dat
boek tot actieve verschijning komt3). De
beeldelooze, geestelijke godsvereering, de opheffing
van de ceremoniëele wet, Doop en Avondmaal,
priesterschap en bisschoppelijke waardigheid, — dat
alles vond men vooraf geschaduwd in dien ouden
bundel.
Tegenover de docetische neigingen der Gnosis legde
de wordende Kerk den vollen nadruk op den
historischen Jezus, den op aarde omwandelenden Heer;
daarbij behoorde, dan Jeruzalem als prototype van de
heilige stad der Christenen, de twaalf apostelen als
vertegenwoordigers van de twaalf stammen 4).
Dit hechten aan traditie is typisch Joodsch. Het
Oude Testament gaf meer geschiedenis dan
systematische theologie; zelfs de wetgeving was in
historischen vorm gegoten, hoewel zij als goddelijk
werd beschouwd. Personen, zaken, handelingen,
gebeurtenissen in het Oude Testament waren
voorafschaduwingen van Christus en diens rijk;
symbolische voorspellingen in den vorm van feiten,
die een sprekend
1)
Vgl. mijn opstel in Aus Indiens Kultur, Festgabe
für Richard von Garbe. Erlangen 1927, S. 74 ff.,
getiteld Basileides und der Buddhismus,
2) Cl. Alex., Strom. VI 15.
3)
Vgl.
Kittel, Theol. Wörterbuch I S. 775 ff.
4)
Julius
Wagenmann, Die Stellung des Apostels Paulus.
Giessen 1926, S. 218. K. L. Schmidt in Festgabe
für Adolf Deissmann, Tüb. 1932, S. 208, 292,
303.
121
bewijs opleverden voor de alomvattende wijsheid van
den hemelschen Opvoeder 1). Zoo
kon dit boek, mits op de juiste wijze uitgelegd, de
Christelijke waarheid illustreeren. De Kerk,
die geen stelsel van Gnostische constructie
wenschte, maakte dezen Joodschen bundel tot haar
gezaghebbende mythologie en verhoedde daardoor, dat
zij ooit geheel met den heidenschen godsdienst
vereenzelvigd zou worden, die vooral in het
keizerlijke Rome ook monotheistisch en sacramenteel
trachtte te zijn. Want ook met Osiris, Attis en
andere goddelijke wezens waren aanvankelijk dingen
gebeurd, die een beslissenden invloed op het leven
der menschheid hadden uitgeoefend. Maar dan werd de
keten van de heilige geschiedenis afgebroken. Het
heilige drama van het Christendom speelde zich
daarentegen niet bij den aanvang, maar aan het einde
der tijden af en wel in nauw verband met den aanvang
der tijden, want in het Christelijk drama waren
aanvang en einde der tijden verbonden door de
gansche godsdienstige geschiedenis van een
uitverkoren volk. Niettemin werd dit uitverkoren
volk op zichzelf niet van beteekenis geacht; slechts
als voorafschaduwing, als beeld van de Christenen,
die eeuwen later zouden komen 2). In
Israel's geschiedenis ziet de kerk niet meer
de geschiedenis van een volk, maar van ideeën 3).
Ludwig Köhler formuleert het zeer juist aldus: „Was
im Alten Testament steht, verliert alles
Eigengewicht und jeglichen Eigenwert" 4).
Het spreekt vanzelf, dat de Joden zich met hand en
tand tegen deze Christelijke bewijsvoering uit hunne
profetieën moesten verzetten en haar niet in
overeenstemming achtten met den oorspronkelijker)
zin 5). Zij konden onmogelijk instemmen
met de kerkelijke opvatting, dat de Heilige Geest in
het Nieuwe Testament de onfeilbare verklaarder is
van zijn
1)
Zoo Dr.
HUGO WEISS,
Die messianischen Vorbilder im Alten Testament.
Freib. im Br., 1905, S. 3.
2)
Vgl.
F. CRAWFORD Burkitt, Church and Gnosis.
Cambridge 1932,
ρ.
120-'37.
3) Johs,
PEDERSEN in Zal W 1931, S. 162.
4) Theol. Rundschau
1935, Heft 5, S. 262. 5) Origenes, c.C. I 50.
122
eigen uitspraken in het Oude. Wanneer bv. Jesaja in
de 8ste eeuw vóór Chr. tot koning Achaz zegt: „de
Heer zelf zal ulieden een teeken geven", en daarop
volgt de bekende Immanuelprofetie (Jes. 7 : 14 vv.),
dan valt dit naar kerkelijke opvatting volslagen
buiten de geschiedenis van die dagen: de profeet en
de koning en het geheele milieu, waarin zij spreken
en hooren en leven, dragen het karakter van de
levende beelden, die bij de Passiespelen van
Oberammergau aan de tooneelen der Christelijke
lijdensgeschiedenis plegen vooraf te gaan.. Op
zichzelf hebben deze geen waarde, maar slechts in
verband met een gebeurtenis, die zich zeven eeuwen
later zou afspelen (Mt. 1 : 22). Als Hosea (11:1)
over de vroegste lotgevallen van het Joodsche volk
spreekt, hoort de Evangelist (Mt. 2:15) daaruit
slechts een episode uit het leven des Heeren. In
plaats van de voor de hand liggende beteekenis
treedt de meer verwijderde. De geschiedenis dier
oude tijden wordt in haar onmiddellijkheid
gedegradeerd en tot een prefiguratie verklaard van
de heilsgeschiedenis, die later in Jezus Christus
verwerkelijkt zal worden. De vrees van de Kerk, den
voor haar zoo bijzonder gewichtigen factor van de
geschiedenis in gevaar te brengen en te verliezen,
moest noodzakelijk tengevolge hebben, dat de
geschiedenis van het Joodsche volk grootendeels tot
symbool en Israel in zooverre van zijn geschiedenis
beroofd werd. Niet Abraham, niet Mozes, maar
Christus prijkt als hoofdfiguur in de lijst
van de historie van Israël, ja in de lijst van de
historie van het menschdom, van de schepping.
Irenaeus betoogt nadrukkelijk en doorloopend in zijn
Epideixis, dat God Souverein is en dat alles
uit Hem zijn oorsprong neemt. Hij zegt: „Men moet
God den Vader niet voor een ander wezen houden dan
den Schepper, zooals de ketters dat doen. Zij
versmaden God als den Zijnde en maken het
niet-zijnde tot afgod" l). De
plaats is merkwaardig, in-zooverre zij den Schepper,
den Jodengod, met den Zijnde gelijkstelt:Hier hebben
wij klaarblijkelijk te doen met het realisme van de
wordende Kerk, dat zijn stem laat hooren
1)
Irenaeus, Epideixis, c. 99.
123
tegen het idealisme van de Gnosis, die zich, zooals
het heet, „een Vader scheppen, die boven onzen
Schepper hoog verheven is". Terwijl de Gnosis allen
historischen samenhang en eenheid in de ontwikkeling
en de leiding van het menschdom loochent, gebruikt
Irenaeus de Godsopenbaring in Oud en Nieuw Testament
als wapen tegen haar hoogmoed, en tracht aldus een
algemeen erkend gezag als dam tegen haar willekeur
op te werpen 1).
Het realisme van de Christengemeente te Rome was
specifiek Romeinsch. Belangrijk schijnt mij de
opmerking van Theodor Haecker, dat Home ons het
begrip „realiteit" (res) heeft geschonken,
gelijk Griekenland het begrip „logisch" (λόγος)
2). Streng en nuchter verschijnt ons het
karakter van den Romein; het goddelijke hulde zich
bij hem niet in mythen en legenden, want ernst
kenmerkte hem meer dan fantazie; praktisch,
angstvallig nauwgezet, vriend van orde en discipline
3). In zijn mooie rede bij gelegenheid
van de viering van Vergilius' gedenkfeest heeft W.
F. Otto 4) van den „spezifisch römischen
Wirklichkeitssinn" gesproken. „An Stelle des Mythos
steht die Geschichte". „Das Göttliche bedeutet hier
Willen, Geheiss, Numen. Es äussert sich fortwährend
in absolut gültigen Hinweisen und richtet so den Weg
des Menschen, der ihm als Frommer folgen muss auch
wenn er es vom Herzen anders wünschte". Vroomheid
speelt namelijk de aller voornaamste rol. De
Romeinen beschouwden zichzelven als de meest
godsdienstigen van alle stervelingen en zagen dezen
karaktertrek in den nauwsten samenhang met hun
roeping en welslagen bij het verwerven van de
wereldheerschappij. Vergelijken wij ons met andere
volkeren, zegt Cicero, dan moeten wij erkennen, dat
wij in alle andere dingen slechts huns gelijken of
zelfs hun minderen zijn; in de religio echter, d.w.z.
in den dienst der goden, verreweg hun meerderen. En
Horatius
1)
Irenaeus, adv. Laer III 2, 1.
2)
Vergil, Vater des Abendlandes2,
Lpz. 1933, S. 119 f.
3)
Henri BERR in Préface op LÉON HOMO,
l'Italie primitive et les débuts de l'imperialisme
romain.
Paris 1925, p. VI.
4)
Vergil, Festrede. Berlin—Lpz., 1931, S. 13,
17, 18, 22
124
vermaant: in zooverre gij den goden onderdanig zijt,
zult gij heerschen, Romein! Om nog eens met W. F.
Otto's woorden te spreken: „Aeltestes und Jüngstes
ist, ohne Aufhebung der fortschreitenden Zeit, eins,
weil sie in einem sinnfällig gestalteten Idee
lebendig werden. Das ist das Werk Vergils, das ist
die klassische Vollendung des historischen Epos der
Römer. Das Alte kehrt immer grösser wieder, und das
Grösste ist das Wunder der Gegenwart, in dem alle
Sprüche sich erfüllen. Das goldene Zeitalter, das
die italische Erde vor Zeiten erleben dürfte, kommt
nur zurück durch den Friedensfürsten, den einst das
Hirtengedicht als Gott verkündet und, auf den das
messianische Lied traumhaft hingedeutet hatte".
Brengt een dergelijk citaat ons den geest van het
katholiseerend Christendom te Rome niet nader ?
Dit realisme komt in de Christelijke gemeente aldaar
ook tot uiting in de organisatie, de eenheid, de
concentratie; de hiërarchie, de neiging tot het
praktische, de antipathie tegen het speculatieve,
den monarchalen bestuursvorm. Dit alles is typisch
Romeinsch. Als erfgenaam van de antieke wereld in
Romeinschen geest protesteert de wordende Kerk tegen
den wassenden vloed van kosmisch dualisme 1).
Ook deze eindige wereld Gods werk en geen product
van den val en van de onwetendheid (een
godslasterlijke gedachte volgens Irenaeus!)2),
— hier bood de Oudtestamentische Scheppingsleer
welkomen steun. De erfzonde treedt in de plaats van
een val Gods. De afvallige en Gode vijandige kosmos
wordt anthropologisch beperkt tot de wereld der
menschen. Tegenover de revolutionaire Gnosis komt
het kerkelijk Christendom weer tot historische
positiviteit, tot een eenmaal in de geschiedenis
plaats gehad hebbenden val en tot een eenmaal in de
geschiedenis plaats gehad hebbende verlossingsdaad.
Hiermede kon het onhistorische, tijdelooze
verlossingsbegrip van de Gnosis zich niet meten
3). De Christelijke Kerk had geen god noodig
die vijandig tegenover de wereld stond, maar een,
die boven de wereld uit was en dezen vond zij in
1)
Hans Jonas, a.a.O., S. 155.
2) Adv.
Haer. Il 3, 2
3)
Hans Jonas, a.a.O., 8. 22G, Anon. 2.
125
het Oude Testament als den Schepper en als de
Voorzienigheid, die met de wereld bemoeienis heeft.
Ofschoon wij Hellenistische elementen in ritus en
mythe van het Christendom vinden, is de
theokratische idee niet Hellenistisch, maar Joodsch.
Slechts door zich formeel bij het Jodendom aan te
sluiten, kon het Christendom succes hebben. Hiertoe
had de gemeente te Rome de meeste aanleiding. Was
niet de Romeinsche geest met den Joodschen verwant ?
Leerrijk in dezen is Celsus' opmerking bij Origenes,
dat „een deel der Christenen zich in de groote Kerk
heeft aaneengesloten"; deze menschen onderscheiden
zich volgens hem door hun nauwe betrekkingen tot het
Jodendom, waaraan zij de Scheppingsgeschiedenis, de
afstamming der menschen en meer andere dingen
ontleend hebben 1). Jodendom en
Stoa waren naar het woord van Augustinus nauw
verwant, terwijl de Stoa juist de Romeinsche
philosofie van den Keizertijd is geweest, — dezelfde
Stoa, waarvan Walther Fink in een belangrijk
geschrift 2) de vele Joodsche
bestanddeelen heeft aangetoond. Het Jodendom heeft
het met de Stoa vaak zoo goed kunnen vinden, omdat
de laatste over God en Wereld denkbeelden koesterde,
die veel op de Joodsche geleken. Behalve redelijk
wereldbeginsel ziet de Stoa in haar god ook de
zedelijke persoonlijkheid, den heiligen wil, die de
zedelijke wereldorde, recht en gerechtigheid,
bewaakt en verzekert. Van den anderen kant is de
Oudtestamentische god niet alleen de heilige en
genadig verlossende, maar ook de schepper van de
orde in de natuurlijke en zedelijke wereld, een orde,
die hij door zijn wijze voorzienigheid onderhoudt.
Zoo kon de Stoische philosofie de Hellenistische
wereld veroveren en de krachtige wegbe-reidster voor
het Christendom bij de groote menigte en, samen met
het Platonisme een gewichtig element in de
ontwikkeling der Christelijk-kerkelijke ethiek en
dogmatiek worden 3).
1) Orig., c.C. V 29.
2)
Der Einfluss der jüdischen Religion auf die
Griechisch-römische. Bonn, 1932.
3)
Vgl. Kurt Leese, Natürliche Religion und
christlicher Glaube. Berlin 1936, S. 27.
126
Ook het boek de Handelingen der Apostelen, door de
Tübingers als een katholiseerend geschrift herkend,
poogt een nauw verband te leggen tusschen de nieuwe
Kerk en den Godsstaat van het Oude Verbond. Dit is
dan geen Joodsch-Christelijke maar een Romeinsche
poging. De Romeinen waardeeren evenals de Joden het
positieve en het wettelijke. „Dem Juden wie dem
Römer ist die Satzung die Grundlage des Daseins",
verklaart Isaac Heinemann 1). Op het
Congrès-Loisy te Parijs heb ik indertijd over Petrus
als over den tweeden Mozes gesproken 2):
de Kerk, die niet alleen Gnostieken en Theosofen,
maar ook de groote massa van eenvoudige zielen in
zich wenscht op te nemen, sluit zich bij het
bestaande aan en schakelt den revolutionairen Paulus
in de keten der overlevering in, zoodat men hem
ternauwernood van Petrus kan onderscheiden. Petrus
verschijnt als een universalistische Mozes.
Met genoegen lees ik, dat ook Johannes Leipoldt vele
zoogenaamd Joodsche trekken in het oudste
Christendom voor in werkelijkheid Romeinsch
verklaart en inziet, dat de Joodsche invloeden op de
Kerk in haar geheel in de 2de eeuw sterker worden,
bv. het begrip der overlevering en het begrip, dat
het dogma noodzakelijke voorwaarde is voor het heil
3). Ook het Romeinsche imperialisme
koestert vereeiïng voor de overlevering; het more
majorum speelt daar een groote rol en men hecht
groote waarde, — gelijk wij boven reeds zagen, — aan
de geschiedenis. De nuchtere geest van den Romein
vormt geen geschürten voedingsbodem voor Syrisch of
Egyptisch synkretisme4), en kan dus het
Gnostische slechts aanvaarden, als het, door den
Joodschen geest heengegaan, van zijn
buitensporigheden is genezen en in verstandelijker
banen geleid. Waarmede dan het Joodsche karakter
1)
Die griechische Weltanschauungslehre hei Juden
und Römern, Berlin 1932, S. 16.
2)
Congrès d'Histoire du Christianisme: Jubilé Alfred
Loisy, Paris—Amsterdam 1928, p. 181.
3) Gegenwartsfragen in der neutestamentlichen
Wissenschaft. Lpz. 1936, S. 112 f.
4) Walter Bauer, Rechtgläubigkeit und Ketzerei im ältesten
Christentum. Freib. 1934, S. 232.
127
merkwaardige overeenkomst vertoont. Het
zedelijkheids- of gemeenschapsgevoel komt bij hen
tot uiting in den vorm van besef van gebondenheid
aan Zede en Wet (natuurlijke zedelijkheid of
legaliteit); zuiver verstandelijk vatten de Joden
het geestelijke op 1). „Waar in de eerste
plaats een goed verstand of scherp
onderscheidingsvermogen van be-teekenis is, zooals
in. ... de rechtswereld, doen de Joden
dooreengenomen van bekwaamheid blijken2).
Zij denken substantieel; daar bij hen geest en
natuur identiek zijn, zien zij ook geestelijke
gestalten onwillekeurig als natuurlijke
individualiteit" 3).
De beste kenner van Joden en Romeinen tezamen,
Heinemann, zegt naar waarheid: „wie der Römer sich
zum Herrscher der Welt berufen fühlt, so der Jude
zum Priester der Welt" 4). Zoo kon dan
juist in den Joodsch beïnvloeden Romeinschen geest
de priesterlijke wereldheerschappij of het
wereldbeheerschende priesterschap ontstaan van de
Heilige Roomsch-Katholieke Kerk.
Op zinrijke wijze verbeeldt Michel Angelo aan de
zoldering van de Sixtijnsche kapel, hoe het
pauselijke Rome is opgegroeid uit het keizerlijke,
zooals dit door den Joodschen geest is bevrucht:
naast de heidensche Sibyllen verschijnen daar de
Joodsche profeten. De dragers van apokalyptische
stemmingen in de Grieksch-Romeinsche wereld hebben
in de Joodsche dichters van toekomstbeelden verwante
geesten herkend. De verheffing van den Apostelvorst
tot rots der Kerk, zijn angstig waken in de
Handelingen der Apostelen om vooral den band
tusschen de nieuwe gemeente en den Godsstaat van het
oude Verbond ongeschonden te bewaren, dat is iets
van den Romein, wiens wetgeving er ook op uit was,
het oude met de onvermijdelijke vernieuwingen samen
te doen smelten. Gelijk in den Keizer het
opperpriesterschap met vorstelijke heerschappij
samenging, zoo werd de vorst der Apostelen
wereldheerscher. Het Christendom, dat van
1) Dr. A. W. Groenman, N.T.T. 1935, blz.
220, 223.
2)
Dr. A. W. Groenman, t.a.p., blz. 224.
3)
Dr. A. W. Groenman, N.T.T. 1935, blz. 369. 4)
a.a.O., S. 34.
128
Secte tot Kerk, tot Katholieke Kerk ging worden, kon
niet beter doen dan aan te knoopen bij de conceptie
van de geschiedenis van het menschdom, dat één is,
zooals het Oude Testament deze op belangwekkende
wijze predikt l). De gang, die het
Evangelie volgens het boek de Handelingen der
Apostelen neemt en die o.a. door Harnack onder den
titel: „Von Jerusalem bis nach Rom" 2)
veelbeteekenend is uitgedrukt en als een historische
gang opgevat, blijkt inderdaad een dogma te zijn.
Historisch gesproken gaat de blijde boodschap van
Rome naar Jeruzalem, inzooverre van de Romeinsche
Christelijke gemeente uit de verjoodsching van het
overigens onjoodsche beginsel van het Christendom
plaats grijpt. Deze verjoodsching maakt den
hemelschen Christus tot den Joodschen Messias en
doet dan aan diens leven, sterven en verrijzenis
voorafgaan een leven, dat in hoofdzaak is
overgeschreven uit het Oude Testament en zoowel aan
den kerkelij ken eisch van de historiseering der
Gnostische mythe voldeed, als den band met het
verste verleden knoopte en het geworteld-zijn van
het Evangelie in de geschiedenis van wereld en
menschdom aanschouwelijk voor oogen stelde!
1) Vgl. F. M. Th. Böhl, N. Th.
Studien,
Dec. 1934, blz. 300.
2)
Die Apostelgeschichte, Lpz. 1908, S. 12.
|