|
DE MYTHOLOGISCHE ACHTERGROND
VAN DE
NIEUWTESTAMENTISCHE WONDEREN
G.A. VAN
DEN BERGH VAN ESYINGA
Godsdienstwetenschappelijke
Studiën XV 1954
Niet als
geloovige, van welke soort dan ook, die door zijn geloof aan
een bepaalde visie op het Nieuwe Testament gebonden is,
onderzoek ik het kerkelijk complex van Christelijke heilige
Schriften; evenmin als theoloog, die een zekere voorkeur
heeft voor bepaalde denkbeelden, die hij daarin wil terug
vinden. Mijn houding is die van den man der
Godsdienstwetenschap, die de gewijde oorkonden van het
oudste Christendom op gelijke wijze behandelt als die van
andere godsdiensten, ze historisch-critisch tracht te
verstaan door ze zélf te laten spreken zonder daaraan eigen
beschouwingen te willen opdringen. Ik weet heel goed, dat „geloovigen“
een wetenschappelijk-onbe-vooroordeeld standpunt onmogelijk
achten en van de beslissing vóór-of-tegen-Christus aard en
resultaat van het Nieuwtestamentisch onderzoek laten
afhangen. Bekende klanken uit een mond, die, aldus sprekend,
zichzelf inderdaad als een bevooroordeelde - en niet ten
gunste van de wetenschap! - verraadt. Zouden geleerden als
Snouck Hurgronje wel wétenschappelijke Koran-exegese
hebben kunnen leveren, zonder dat zij twijfelden aan de
rechtzinnige Koranopvatting der Mohammedanen? Wat overal
elders den onderzoeker als kracht wordt aangerekend, hoort
men heden ten dage als onvergefelijke zwakheid signaleeren,
nl. door theologen, die achter Kuenen en Scholten zijn
teruggevallen. Men heeft gezegd, van diezelfde zijde, waar
men het geloof binnensmokkelt in de wetenschappelijke
tekstverklaring: „wij naderen niet tot Jezaja of Paulus,
zooals wij naderen tot Homerus of Caesar”. Daarop heb ik
toen de vraag gesteld, die de tegenwoordige theologie
ongeoorloofd acht: „Waarom niet? Naderen wij dan niet tot
alle oude teksten, die onze belangstelling verdienen
en hebben, met ernst en met eerbied? Trachten wij
ons niet, met terzijdestelling van onze voorkeur of tegenzin,
ons vol liefde daarin te verdiepen en vooral die teksten
zélf te laten spreken? Het spreekt vanzelf, dat de
geestelijke wetenschappen aan den geestelijken inhoud en
vorm van haar tijd
33
gebonden
zijn, en ook aan het geestelijk bevattingsvermogen en de
rijpheid van den onderzoeker. Maar dit maakt het onderscheid
tusschen wetenschap en leerstellige geloovigheid nog niet
denkbeeldig; de wetenschap is immers bereid, haar eigen
vooronderstellingen aan critiek te onderwerpen en telkens te
herzien.
Een
dogmatisch gebondene of lichtgeloovige stelt zich
tegenwoordig gaarne tegenover onafhankelijke beoefenaren van
de godsdienstwetenschap op het voetstuk van een
uiterst-moderne beschouwingswijze en meent dan uit de hoogte
verachtelijk te mogen neerzien op den „achterlijken“
rationalist, die nog over „mogelijk” en „onmogelijk” durft
spreken, wanneer hij oude gegevens met het oog op hun
historische waarde taxeeren moet.
Jezus
trok het land door als genezer. Volgens den overigens
kundigen theoloog Dibelius moet dit onverkort erkend
worden als historische werkelijkheid. Toch weet hij ons nog
daarbij te vertellen, dat Jezus niet als
wonderdokter is opgetreden. (Foei toch! - bij de
tegenwoordige waardeering van den doktersstand en den
daarmee gepaard gaanden afkeer van kwakzalverij ware deze
vooronderstelling inderdaad compromittant voor zijn held!).
Het was Jezus er niet om te doen, zegt Dibelius (Jesus,
Berlin 1989, S. 73 ff.), zooveel mogelijk zieken gezond te
maken en wie hem tot patroon van de Christian Science
maakt, miskent hem; had Jezus iets dergelijks gewénscht, dan
zou hij wel méér menschen genezen hebben en zijn genezende
werkzaamheid volgens een vast plan over het geheele land
hebben uitgestrekt. Alsof Dibelius ‘s Heeren genezende
werkzaamheid met alle macht tot een minimum wil reduceeren,
verklaart hij, dat Jezus slechts „beispielhaft“ en bij
gelegenheid, „nicht planmässig, nicht in umfassender
Organisation“ menschen heeft genezen. Op grond van de
bronnen, die voor Dibelius en mij dezelfde zijn, moet ik
tegen zijn verklaring inbrengen, dat Jezus niet méér
menschen had kunnen genezen dan hij werkelijk gedaan heeft:
er was letterlijk geen enkele zieke meer in het gansche land
over (Mt. 4: 23 v., 9 :35) en hij had daartoe niet eens.
noodig als een reizend zendelingarts systematisch het land
af te loopen: de zieken kwamen bij hém en werden zelfs naar
hem toe gedragen (Mt. 9 : 2 vv.).
Dergelijke rationalistische liberale theologen gaan uit van
34
de
gedachte: de dichtende godsdienstige verbeelding kan
aangaande den bovennatuurlijken Zoon Gods toch nooit beweerd
hebben, dat deze iets niet vermocht. Daarom moet het
bericht, dat Jezus te Nazaret geen krachten kon doen (Mt. 13
: 58) een historisch karakter hebben; het getuigt, dat Jezus
een mensch met beperkte vermogens was. Ik vraag: wordt aan
Asklepios ook geen beperkt genezend vermogen toegeschreven?
Wij lezen namelijk, dat in zijn tempel alles werd aangewend,
om bij de patiënten het geloof in den god te wekkenhoe
grooter hun geloof was, des te grooter de kans op hun
genezing. Maar hierdoor wordt Asklepios niet tot een
historisch persoon! Hij is en blijft een god.
Volgens Christelijke opvatting kan een mensch Gods genade
wederstaan; daarmede wordt God dan toch ook niet tot een
beperkt menschelijk wezen.
Wat is
een wonder eigenlijk? Oorspronkelijk iets, waarover men
zich verwondert, omdat het met de alledaagsche ervaring niet
overeenstemt (miraculum, thaumasion). Het wonder
beteekent bij den primitieven mensch niet het onmogelijke;
deze kategorie doet pas mee, als men natuurwetten
kent. In het ongewone ziet de primitieve mensch een
bijzonder treffende openbaring van macht. De
voortschrittene kennis van de Natuur doet liet aantal
wonderen kleiner worden. De zoogenaamde Aufklärung of
Verstandsverlichting van den nieuweren tijd wil van wonderen
niet weten. Zij trachtte, en tracht nog, het Evangelie van
wonderen te ontdoen, die zij dan op rekening schuift van
geëxalteerde verbeelding of van averechtsche verklaring van
in den grond volmaakt natuurlijke verschijnselen.
Driekwart
eeuw geleden waren de wonderen een beletsel om het
evangelieverhaal te aanvaarden; tegenwoordig gebruikt men
omgekeerd de parapsychologie om de betrouwbaarheid daarvan
te bewijzen. Met Max Dessoir1 versta ik onder
parapsychologie de wetenschap van het grensgebied tusschen
het gewone bewustzijn en zijn pathologische toestanden.
Vroeger stelde men het alternatief: of alle geheimzinnige
verschijnselen loochenen of meedoen aan wonderzuchtig
mysticisme. De nieuwere psychologie laat dit of-of niet
gelden; zij tracht die
1
„Vom Jenseits der Seele. Die Geheimwissenschaften in
kritischer Betrachtung“. 2. AufL, Stuttgart 1918. S. V.
35
verschijnselen, voorzoover zij wetenschappelijk vaststaan,
te verklaren; maar de occultistische oplossing van het
vraagstuk kan zij niet als een „verklaring“ beschouwen1.
Het ligt
voor de hand, dat men wonderbare verschijnselen, waarvan men
heden ten dage nog getuige is, aan de verklaring van
soortgelijke in het verleden tracht dienstbaar te maken.
Reeds lang bracht men de genezingen, door Jezus gedaan - hij
zou magnetopathische kracht in de handen hebben gehad 2
- en de verschijning van den Verrezene met suggestie en
hypnose in verband. Verklaarde Renan de opstanding des
Heeren niet uit de zinsbegoocheling van de bezeten Maria
Magdalena? Aan het nerveuze gestel van Paulus werd
toegeschreven, dat ook hem, als laatste van een lange reeks
ooggetuigen, de verrezen Heer verschenen is.
Men werd
verteerd door den ijver om alles verstandig te verklaren,
maar die ijver zelf was zoo onverstandig mogelijk. Het
wandelen op zee van Jezus lichtte men toe met levitatie van
het lichaam bij somnambules; genezing uit de verte met
telepathie; dat de Verrezene door gesloten deuren ging met
dematerialisatie en rematerialisatie. In dit alles zie ik
een moderniseering van een oud rationalisme, dat den Zoon
Gods van het Evangelie tot een om zijn buitengewone
psychische krachten vergoddelijkten merisch maakt. Zoo
tracht men het voor het gezond verstand aanstootelijke, dat
het oude rationalisme met krachttoeren trachtte weg te
moffelen of goed te praten, weer zonder tegenspraak in te
lijven in het levensbeeld van het groote medium Jezus van
Nazaret.
Maar dit
zal wetenschappelijk eerst geoorloofd zijn, wanneer de
geschiedkundige betrouwbaarheid van het wonderverhaal
vaststaat. Hebben wij hier werkelijk gewaarborgde feiten?
De Vereeniging voor parapsychologisch onderzoek heeft
volgens haar eigen getuigenis eenige jaren geleden
buitengewone omzichtigheid en strenge critiek bij het
constateeren van feiten noodzakelijk geacht. De wetenschap
dient uit te gaan van empirisch geconstateerde feiten om die
vervolgens te verklaren; zij mag niet op grond van
parapsychologische verklaringen van
1
A.a.O., S. 29. 2 Zoo C. A. Bernouillie
„Jesus, wie sie ihn sahen“. Basel, 1928, S. 220 ff., 284.
36
hedendaagsche feiten, dergelijke verhalen uit de oudheid als
historisch vaststaande beschouwen.
Wat het
Nieuwe Testament betreft heeft de zaak nog een geheel
anderen kant. Hier betreden wij het terrein van de
cultuslegende en mythe. De radicale, d.w.z. de
onafhankelijke, geheel ondogmatische, critiek stelde bij
monde van haar uit-nemenden vertegenwoordiger J. van Loon de
vraag: „Wat is het karakter der Evangeliegeschiedenis?“ In
zijn tijd, het einde der 19de eeuw, werden vruchtelooze
pogingen aangewend, om het ontstaan der Opstandingsverhalen
te verklaren. Hij oordeelde deze vraagstelling onjuist. „Wij
stellen a priori vast, of liever wij gaan stilzwijgend van
het denkbeeld uit, dat het de opstanding betreft van een
reëelen Jezus. Sinds de quaestie gerezen is (nl. door Prof.
A. D. Loman, Prof. Allard Pierson e.a.) omtrent het reëel of
ideëel karakter der Evangelische geschiedenis, is het niet
meer geoorloofd van zulk een onbewezen stelling uit te gaan.
M.a.w. het probleem van de Opstanding kan nooit op zichzelf
worden uitgemaakt, maar die andere quaestie omtrent de mate
van realiteit of idealiteit der Evangelische geschiedenis
moet er mede in betrokken worden“ 1. De vraag, of
Jezus een historisch persoon is geweest, achtte J. van Loon
onzuiver gesteld; bij dien naam „Jezus“ denkt men immers aan
een ménschelijke verschijning. Zijn er eigenlijk wel
berichten omtrent zulk een Jezus tot ons gekomen? De Jezus
der modernen is strict genomen niets anders dan een der
hypothesen, waarmee men den oorsprong van de
Evangeliegeschiedenis tracht te verklaren. De praealabele
vraag moet zijn: wat voor karakter, reëel of ideëel, moet
aan de Evangeliegeschiedenis worden toegekend?
Ik kan
hier niet langer stilstaan bij deze vraag; meermalen heb ik
haar behandeld, o.a. in mijn: Leeft Jezus of heeft hij
alleen maar geleefd? (Arnhem 1930) en in Het Karakter
der Evan-geliegeschiedenis (Assen 1939). Slechts wijs ik
op de vele Doceten in het oudste Christendom, die geloofden,
dat Jezus maar in schijn een mensch was geweest. Ik
vraag: Zijn er ooit Doceten opgestaan in verband met een
reëele, geschiedkundige persoon? Heeft men bv. ooit beweerd,
dat Mohammed, Fran-
1 „Theol.
Tijdschrift“, 1895, blz. 478 v..
37
ciscus
van Assisi of John Knox slechts in schijn een lichaam hebben
bezeten? En toch zijn ook zij, object van diepe
vereering geweest. Een tweede vraag: Was er onder Joden,
strenge monotheïsten, op vergoddelijking van een mensen wel
kans?
Over de
opstanding van Jezus wordt meer licht verspreid door de
opstanding van Tammoez, Adonis, Attis, Osiris, dan door de
rationalistische vizioenen-hypothese of door de
vooronderstelling, dat de inbeelding van geëxalteerde
vrouwen hier een rol heeft gespeeld. Inderdaad behoort het
oude Christendom tot de mysteriegodsdiensten, de
eigenaardige godsvereeringen, die omstreeks het begin onzer
tijdrekening in het Romeinsche Rijk verbreid werden. Zij
eischten van hun adepten niet alleen bepaalde godsdienstige
handelingen, maar ook de ware gezindheid en persoonlijke
toewijding. Doordat zij zich niet richten tot den burger van
een bepaalden staat, maar tot het individu, brengen zij een
nieuwe internationale broederschap tot stand: alle menschen
zijn kinderen van den god en hem even lief. Deze
mysteriegoden zijn niet de Olympiërs, de onsterfelijken. Zij
zijn chthonische, onderaardsche goden, vegetatiegoden, goden
van de jaarlijks wegstervende en herlevende natuur. Zij
worden voorgesteld als mensch geworden goden. Hun mythen en
feesten hangen samen met leven, lijden, sterven en
opstanding van een jongen god. In een cultisch drama wordt
alles afgebeeld, wat de god onderging. Ondanks zijn dood
gaat hij niet te gronde, want hij beschikt over
levenskrachten, die ook de mensch noodig heeft om een zalig
lot hierna te verwerven. Door deze godsvereeringen kreeg de
vermoeide en lijdende mensch een voorgevoel van zijn eigen
verlossing uit de boeien van het Noodlot. Want door mystieke
vereeniging met den god wordt zijn geschiedenis in
den geloovige herhaald. De overal en altijd door daemonen
belaagde mensch krijgt door sacramenten deel aan den god en
heiland, die hem verlost. Deze diensten hebben ook tot een
spiritualistisch-mystieke vroomheid geleid, die de
cultushandelingen als louter symbolen van innerlijke
gebeurtenissen verklaarde, door den mysticus in meditatie en
extase beleefd. Menige meer ontwikkelde vond hier
bevrediging, terwijl de groote menigte zich tot het magische
en realistische van deze diensten aangetrokken gevoelde.
Speciaal
de Dionysos dienst, de vereering van den wijngod,
38
die, als
Orphiek, van een opgewonden, woeste godsvereering is
verzacht en beschaafd tot een geloof, zóó verheven, dat Miss
Haerison betwijfelt of het ooit is overtroffen, vraagt hier
onze aandacht. Diels heeft erkend, dat de Orphiek in
hoofdzaken op den godsdienst des kruises gelijkt als geen
andere godsdienst doet. Julius Grill 1 heeft het
evangelie naar Johannes doorloopend in verband met den
Dionysosdienst beschouwd. Minder ver, maar toch een heel
eind in dezelfde richting gaat Johannes Leipoldt 2,
die volmondig erkent, dat door de groote overeenstemming
tusschen Christendom en Dionysosdienst de laatste langer dan
eenige andere dienst de mededinger van het Christendom is
gebleven.
Al
aanstonds heeft het Christelijk geboorteverhaal veel
overeenkomst met dat van Dionysos. Semele wordt bij den
Hemel-vader Zeus zwanger en geraakt daardoor in een
enthoesiasten toestand; zij brengt het goddelijke kind ter
wereld, dat zelf profeet is en verstrekker van den
goddelijken geest. In Lc. 1: 39 wordt het enthoesiasme van
Maria tijdens haar zwangerschap vermeld: zij spreekt
profetische taal en Elizabeth wordt daardoor vol van den
Heiligen Geest, ja zelfs het kind in Elizabeth’s schoot
springt op onder invloed van de pneumatische sfeer, die van
de zwangere Maria uitgaat.
In mijn
Matthaeuscommentaar heb ik geschreven (blz. 8 v.), dat
Matthaeus en Lucas de tegenstrijdige voorstelling van Jezus
Davidische afstamming èn van zijn verwekking door den
Heiligen Geest hebben verbonden en dat ons dat niet méér
behoeft te verwonderen dan het feit, dat geloovigen deze
tegenstrijdigheid de eeuwen door hebben verdragen. Geleerden,
die aan de geslachtsregisters geen historische waarde
toekenden, hebben daaruit tóch munt willen slaan voor een
louter menschelijken Jezus. Maar Mt. 1 : 16 de woorden: „Jozef,
den man van Maria, uit wie Jezus werd geboren“ sluiten reeds
de gedachte aan een vleeschelijke relatie tusschen Jozef en
Jezus uit; de bevruchting van de maagd Maria heeft blijkbaar
plaats gehad „zonder toedoen van een man” Terwijl overal in
dit geslachts-register van den vader wordt gezegd: „hij
verwekte“, heet Jezus
1
„Untersuchungen über die Entstehung des 4. Evangelium“.
1902, 1923.
2
„Dionysos“. (Beiheft von Angelos, nr. 37). Leipzig 1931.
39
slechts:
„geboren uit Maria“. Zij is dan ook al zwanger, voordat zij
met Jozef gemeenschap heeft gehad, en wel: van den Heiligen
Geest (1: 18). De Davidische afkomst, welk dogma hier dat
van de bovennatuurlijke herkomst doorkruist, mag dus geen
aanspraak maken op historiciteit. De tegenstrijdigheid
tusschen Davidische afkomst èn geboorte uit den Heiligen
Geest komt nog scherper voor den dag als het Lc. 3 : 23 heet:
„Jezus was een zoon, naar men meende, van Jozef.“
Volgens beide evangelisten stamde Jozef van David af, Mt.
1:20; Lc. 2:4. Er bestond een dogma van den Christus
Davidszoon. Naar gelang nu de mythe van den hemelschen
Godszoon meer tot de geschiedenis van een goddelijken mensch
werd vervormd, moest deze ideëele, profetische voorstelling
van de twijg uit Jesse’s ouden stam tot een genealogisch
gegeven worden. Bultmann meent, dat in de voorgeschiedenis
bij Matthaeus de gestalte van Jezus „ins Göttliche
gesteigert“ is. Dit schijnt mij onjuist. De oudere
voorstelling, (bij Marcion, Marcus, Johannes,) van een
volwassen uit den hemel nedergedaalden Godszoon werd te Rome
gehistoriseerd. Dit maakte een aardsche geboorte als kind
noodig. Dat is toch eigenlijk ook wel het allerminste, wat
van een reëel menschelijk wezen kan worden verwacht, dat het
geboren is. Die geboorte is met trekken geteekend, die ook
in de geschiedenis van zoogenaamde goddelijke mannen uit de
oudheid voorkomen. Een „Steigerung ins Göttliche“ beteekent
dit allerminst; veeleer een vermenschelijking binnen de
grenzen van het voor een goddelijk wezen gepaste.
Zulk een
wezen bestrijdt in de evangeliën de booze demonen, die
ziekten veroorzaken (Mt. 8 : 14 v., 23 v.v.; 9 :33; 17 : 18
en op tal van andere plaatsen). Ook winden en zee worden als
demonen gedacht, die Jezus gehoorzamen (8 : 27); dit strekt
dan den opvarenden ten bewijze, dat hij een god is. In het
verhaal van de bezetenen te Gadara (8 :28 V.v.) is van
geloof als voorwaarde tot genezing geen sprake; zonder dat
zij er om vragen worden zij genezen en het eigenlijke thema
van de scène is de strijd van Christus tegen de demonen.
Bevangt een gevoel van vrees de schare bij het zien van
dergelijke genezingen, dan is dit haar angst voor het
numineuze, het goddelijke (9 : 8; 8 : 34), dat in Jezus
verschijnt: wie den god ziet, diens leven loopt gevaar.
40
Het is
niet zóó, dat er een historische persoon is geweest, die
door bepaalde psychische krachten genezingen heeft verricht,
waarvan aantal en aard dan misschien door de dichtende
verbeelding van een latere generatie zouden zijn geflatteerd;
- neen, wij hebben hier te doen met het kerkelijk beeld van
den menschgeworden Godszoon, die, als hij inderdaad de
vervulling zal zijn van de Messiaansche profetie, ook de
door het O. T. dwingend voorgeschreven wonderen moet
verrichten (11: 2 vv.). Wat een rationalistische
tekstverklaring is, kan ik met een prachtig specimen
toelichten, dat met het bericht omtrent het Kanawonder
verband houdt. Heet het (2 : 1-2), dat de moeder van Jezus
daar was, maar dat ook Jezus was genoodigd, dan luidt het in
een commentaar van een halve eeuw geleden, wat men zou
kunnen noemen „de roman eener nuchtere verstandelijkheid“:
„Niet onmogelijk, dat Maria, Jezus’ moeder, te Kana wóónde,
want zij komt als een bekende van het bruidspaar voor“. Mij
schijnt het toe, dat er honderden van zulke mogelijkheden te
bedenken zijn, en als de Schriftverklaarder dan voortgaat
met de woorden: „Jozef wordt niet vermeld en was
waarschijnlijk reeds gestorven“, dan ben ik geneigd om de
situatie ironisch nog wat aannemelijker te maken door het
volgende vermoeden. Na Jozefs dood zal Maria in moeilijke
financiëele omstandigheden hebben verkeerd; zij moest haar
huishouding te Nazaret opbreken en zocht een betrekking,
waarmede zij in haar levensonderhoud kon voorzien. Gelukkig
vond zij die te Kana bij een welgesteld gezin, waarvan nu de
dochter trouwt. Zoo is dan meteen wonderlijk goed het woord
van Maria te begrijpen: „Zij hebben geen wijn“. Dat behoorde
tot haar departement als huishoudster!
Laat ons
echter een meer wetenschappelijke exegese toepassen. Jezus
zegt tot zijn moeder: „Wat heb ik met U te maken, vrouw?“
Dit klinkt ongepast, zelfs aanstootelijk. Reeds de vraagvorm
is uitdagend; de verhouding van moeder en zoon wordt hier
geloochend, wat dan door de besliste afwijzing van Maria’s
verzoek om wijn te verschaffen, nog wordt verscherpt. De
Christus van het vierde evangelie hééft geen moeder; hij
komt rechtstreeks uit den hemel, gelijk bij Marcus en bij
Marcion. Reeds dit wijst op het symbolisch karakter van het
verhaal; de moeder van Jezus vertegenwoordigt hier de
Gemeente
van
41
Israël;
zij is de persoonsverbeelding van het Oude Verbond. De
dienaren van vs. 5, diakonoi, genoemd, zijn de
bedienaren van het Evangelie, die de Avondmaalsbijeenkomsten
organiseeren en presideeren. Want het Avondmaal als
Christelijk sacrament wordt in dit verhaal bedoeld. „Mijne
ure is nog niet gekomen“, d.w.z. de ure van Jezus’ lijden en
verheerlijking. In Joh. 19 : 34 zal uit de speerwonde, die
hem aan het kruis wordt toegebracht, bloed en water vloeien,
de wijn van het Avondmaal en het water van den Doop. Wat
hebben die zes steenen watervaten, elk 2 a 3 metreten
houdende, dit is 5 a 700 Liter, den geloovigen exegeten een
hoofdbreken gekost! Want als die massa water straks in wijn
wordt veranderd, zal de Heer Jezus de directe oorzaak worden
van een geweldig bacchanaal. De brave Luthard wil het
anders: het was niet alles voor den bruiloft bestemd, maar
als Jezus’ huwelijksgeschenk voor den wijnkelder van het
jonge paar. Luthard houdt niet van dronkemanspartijen, maar
waardeert matig gebruik. Een rij van andere verklaarders
hebben het ongelooflijk groote quantum door een welwillende
wijze van berekening trachten te verkleinen: niet a.1 dat
water, maar slechts een klein bovenlaagje er van zal in wijn
zijn veranderd. Minder verbaasd schijnen de exegeten te zijn
over vaten van zoo reusachtige afmetingen in een
particuliere woning; want al staat er bij, dat deze „naar de
reiniging der Joden“ waren, handen en vaatwerk vereischten
licht geen 5 à 7 HL water. Die reusachtige vaten verwacht
men eerder in een antieken tempel van den wijngod Dionysos.
En zoo komen wij als vanzelf op de mythologische stof,
waaraan de evangelist zijn symbolisch verhaal heeft ontleend.
Den 5den
Januari vierde men in Elis in Griekenland een Dionysosfeest;
het was de vooravond van 6 Januari, den dag van de Epiphanie
of verschijning van den god. Wij weten, dat die 6de Januari,
nu als Driekoningen gevierd, in de eerste eeuwen als de
geboortedag van Christus gold, en deze pas in de 4de eeuw
naar 25 December werd verlegd. In een kapel buiten Elis dan
stelde men drie leege vaten op; de deur werd verzegeld. Den
volgenden morgen waren zij gevuld met wijn. Zoo ook op het
eiland Andros: het bronwater van den Dionysostempel smaakt
jaarlijks op 5 Januari zeven dagen lang als wijn. In vele
mythen is Dionysos vergezeld van zijn moeder Semele. Reeds
42
Justinus de Martelaar ± 150 heeft de parallel
Dionysos-Christus opgemerkt (Apol. I 54 en Dial. c. Tr. Jud.
69), al heeft hij haar op zijn eigenaardige kerkelijke wijze
geïnterpreteerd. Hij beschouwt namelijk de heidensche mythen
als ingegeven door demonen, die de voorspellingen uit het
Oude Testament hebben nageaapt om zoo het fundament van het
Christelijk geloof, dat vele eeuwen later zou komen, reeds
bij voorbaat aan het wankelen te brengen; zij wilden den
indruk geven, dat Christus ook maar zoo’n soort zoon van
Zeus was!
Ter eere
van den wijngod Dionysos vierden de Grieken het feest der
Anthesteria, het Bloeifeest. Op den eersten dag begon het
met het feest van de opening van het vat, de komst van den
eersten nieuwen wijn. Den tweeden dag was de god zelf
aanwezig om zijn bruiloft te vieren, den Dionysoe gamos:
een vrucht-baarheidsritus van antieken datum; de god
verbindt zich met de Moederaarde. Merkwaardig, dat de oude
Kerk op haar Epiphania-feest van Christus, den 6 den Januari,
juist het wijn-wonder als bewijs der verschijning van den
God Jezus beschouwde. De vleeschgeworden Logos geeft wijn,
den godsdienst des Geestes; maar die wijn is ook zijn
offerbloed, dat reinigt van alle zonden, anders dan het
reinigingswater van het Jodendom; zijn dood en opstanding
bewerken herschepping en wedergeboorte.
De
schrijver noemt (vs. 11) het Kanawonder een teeken (sèmeion).
Daarmee bedoelt hij een wonderlijke gebeurtenis of
handeling, die het bovenmenschelijk karakter van den dader
bewijst; maar het belangrijkste aan het teeken is,
dat het een hoogere waarheid belichaamt, dat het als het
ware een transparant is, waardoor die hoogere waarheid
heenstraalt. Saint-Yves in zijn Essais de Folklore
Biblique van 1923 schreef terecht: „Vanaf den
Dionysosdienst tot op den Christelijken cultus heeft het
water nooit opgehouden zich in wijn te veranderen op den
6den Januari van elk jaar. En de vierde evangelist, die in
dit wonder de mogelijkheid zag om een hem geliefd denkbeeld
te illustreeren, aarzelde niet het op Jezus over te dragen
en misschien tegelijk daardoor een practijk Christelijk te
maken, die men heel moeilijk kon uitroeien (p. 221). Deze
Christuslegende staat dus op den bodem van agrarische rites,
analoog met die, welke van Dionysos en andere mysteriegoden
werden
43
verhaald.
De middeleeuwsche kunst laat in de afbeelding van de
bruiloft van Kana het bruidspaar nauwelijks zien. De figuur
van Jezus staat zóó in het middelpunt van het feest, dat men
hém voor den bruigom zou kunnen houden. De gast verschijnt
eigenlijk als gastheer, en de evangelist gaf zelf daartoe
alle aanleiding; 8 : 29 spreekt hij over Jezus als over den
bruidegom 1. Er zijn te veel punten van
overeenstemming tusschen dezen Jezus en Dionysos om aan
toeval te denken. Heet Jezus niet de ware wijnstok? De
wonderdoende bruiloftsgast is zelf bruidegom en wij denken
aan het feest van Dionysos’ huwelijk, aan de moeder, die
beide goden vergezelt, aan de geweldige tempel-vaten, die in
een burgerwoning niet waarschijnlijk zijn. Drie jaar
duurt Jezus’ werkzaamheid als tegenhanger tot de drie
maanden, die Dionysos’ epiphanie duurt; dat Jezus drie dagen
lang verdwijnt in den Hades is overeenkomstig het
driemaandelijksche verdwijnen van Dionysos in den Hades. Het
merkwaardigste bij dit alles is wel, dat de oorspronkelijk
extatische waanzin van den wijngod Dionysos zich in den
jongeren, zedelijk ge-groeiden Orphischen Dionysosdienst met
diepe wijsheid heeft verbonden: de geloovige ging zich
verdiepen in Dionysos’ dood. Niet minder dan zes maal komt
in de evangeliën het verhaal van een wonderbare spijziging
voor, met menigen variant toch altijd herinnerend aan het
Avondmaal. Bij Johannes, die de instelling van het Avondmaal
niet bericht, neemt het de plaats daarvan in, en dient zelfs
als inleiding op een Avondmaalleer. Ik ga uit van Mt. 14:
13-21. „Toen het avond was geworden“ (14: 15) doet reeds
denken aan „Avondmaal“. In de woorden van vs. 19 : „hij nam
de brooden, wijdde ze, brak ze en gaf ze aan hen“, woorden,
die herhaaldelijk voorkomen in de Brood-brekingsberichten,
zie ik een liturgische formule, waarvan elk woord beteekenis
heeft. Als Jezus bij de instelling van het Avondmaal het
brood aan de discipelen geeft, zegt hij: „Neemt, eet! dit is
mijn lichaam“. Jezus neemt het lichaam aan, in zijn
menschwording, hij wijdde het door het pneuma, den
godde-hjken Geest; hij brak het in zijn sterven; hij deelde
het verbroken lichaam aan de zijnen mede. Het herinnert ons
treffend
1
Vgl. de belangrijke studie van Hans Schmidt, „Die
Erzahlung von der Hochzeit zu Kana. Eine
religionsgeschichtliche Studie“. Berlin 1931.
44
aan
Dionysos, door de Titanen verscheurd en verslonden. In den
Orphischen mysteriedienst werd dit nagebootst door het
verscheuren en verorberen van het offerdier, dat den god
zelf voorstelde. Men at den god-stier om zelf goden te
worden. Zoo aten de Bakchanten klimop, waarin de godheid
woonde. De Heer der Christenen is in het brood van het
Avondmaal, gelijk Dionysos in den stier. De breking van zijn
lichaam bewerkt de wording van het nieuwe lichaam, de
Gemeente. In de breking des broods wordt de Heer den zijnen
openbaar als de wel gestorvene, maar die leeft, als de
Verrezene en Verhoogde, die het aardsche lichaam aanneemt en
aflegt naar welgevallen.
Zooals de
mysteriën hun cultuslegende hadden, die de plechtigheden van
den eeredienst moest verklaren: Dionysos, Attis, Osiris
hadden eens hetzelfde gedaan, wat hun vereerders sedert
herhaalden, - zoo in het Christendom ook, waar de Heer
immers den Christelijken doop door den nog-niet-Christen
Johannes den Dooper ontvangt en zelf het Avondmaal medeviert
l.
Het
spreekt vanzelf, dat het Rationalisme ook voor de wonderbare
spijziging een natuurlijke verklaring heeft bedacht: het zou
een „versneld natuurproces“ zijn geweest. D. F. Strauss2
schreef terecht dat dan het verhaal heel anders had moeten
luiden: in Jezus’ hand zou dan een korrel honderdvoudig
vrucht hebben moeten dragen en gerijpt moeten zijn. In het
wonderverhaal is van een zuiver levend natuurproduct geen
sprake, maar van een dood en door menschelijke bewerking
gewijzigd proces, waaraan molenaar en bakker zijn te pas
gekomen.
Het is
niet toevallig, dat in Mt. en Mc. de spijziging der
vijfduizend aanstonds gevolgd wordt door Jezus’ wandelen op
zee. In de Spreuken van Jezus Sirach (24 : 5) wandelt de
Wijsheid over de golven der zee. Het is de goddelijke Heer
over den dood, want de zee wordt als afgrond en dood
gedacht. Zij, die in de Openbaring van Johannes (15: 2) op
de kristallen zee staan, hebben den dood overwonnen. In een
rede van Keizer Julianus den Afvallige (tegen den Cynicus
Heraklios Or. VII 219 D) heet het: „Herakles wandelde op de
zee, alsof het vaste grond geweest ware. Wat toch was voor
Herakles onmogelijk?
1
Vgl. „G. S.“ VII, blz. 3 vv.. 2 „Leben Jesu“, 2.
Aufl. Bd. II, Tüb. 1837, S. 207 ff..
45
Wat had
diens goddelijk en rein lichaam niet moeten ter wille zijn?
Deze zoogenaamde elementen moesten de scheppende en
volmaakte kracht van zijn onbevlekten en reinen geest
dienen. Want de machtige Zeus met Athene Pronoia schiep hem
tot Heiland voor de wereld“.
Het
bericht van Jezus’ wandelen op zee zal, gelijk dat van de
verheerlijking op den berg, oorspronkelijk hebben behoord
bij de verschijningen van den Verrezene.
Zoo kom
ik vanzelf tot de Opstanding. In het vierde evangelie vindt
deze een voorafschaduwing in de opwekking van Lazarus (Joh.
11). Giotto heeft in de benedenkerk van St. Franciscus te
Assisi, in de zgn. Magdalenakapel, de opwekking van Lazarus
en de voor den verrezen Christus knielende Maria tegenover
elkander geplaatst. Op de laatstgenoemde schilderij ziet men
terzijde nog het geopende Christusgraf. Het Lazaruswonder is
de allerhoogste openbaring van Christus’ goddelijk vermogen
en tevens prototype van diens eigen opstanding. Het
moeilijkste vers is het 33ste. Toen Jezus de zuster van den
doode en haar omgeving zag weenen, voer hij uit tegen den
geest en wond zichzelf op. Ik meen indertijd te hebben
aangetoond 1, dat de geest hier bedoeld is
als het in Jezus zelf aanwezige pneuma; dit moet ter
volvoering van het volgende geweldige wonderwerk
geactiveerd, gemobiliseerd worden; de voor het wonder
vereischte concentratie wordt met dit vers aangeduid. Zoo
wordt de noodige pneuma-spanning bereikt. Het weenen, dat
hij doet, is anders dan het weenen der rouwdragenden, het
behoort tot het procédé van de doodenopwekkende
werkzaamheid. In de magie heeft alles wat het lichaam
verlaat beteekenis. Na het nog eens herhaalde
embrimaasthai, het „snuiven“, „brieschen“ of „dreigend,
nadrukkelijk bevelen“ (vs. 38), zegt Jezus tot den Vader:
„ik dank U, dat Gij mij verhoord hebt“. Blijkbaar is het
groote feit dan reeds geschied en Lazarus herleefd, al ligt
hij nog in de spelonk. Jezus gevoelt, dat er kracht van hem
is uitgegaan, evengoed als hij gevoelde, dat de
bloedvloeiende vrouw de zoom van zijn kleed had aangeraakt
(Mt. 9 :20 vv.); het pneumaverlies dringt oogenblikkelijk
tot zijn bewustzijn door. Dit verklaart ook het „Raak mij
niet aan!“ (Joh. 20: 17).
1
In
„N.T.T.“ 1926, blz. 221 vv.; ook in „Premiers Ecrits du
christianisme“, Paris-Amsterdam, p. 129 suiv..
46
De
Verrezene waarschuwt Maria, hem niet aan te raken, want,
zegt hij, „ik ben nog niet opgevaren tot mijn Vader“. De
Christus, die door zijn Pneuma zich aan Graf en Dood
en Hel heeft ontworsteld, draagt dat Pneuma in de
allerhoogste mate nog bij zich om; zijn hemelvaart is
ophanden, die een geweldige geladenheid met pneumatische
kracht vereischt. Nu is de Geest in hem dermate
gecondenseerd, dat zijn aanraking doodelijk zou zijn;
verlies van pneuma zou voor hemzelf zijn hemelvaart kunnen
verijdelen. Niet dat hij zelfzuchtig bij den Vader wil gaan
genieten van zijn goddelijke natuur, maar het is den zijnen
nut, dat hij heengaat: zóó pas kan op hen de Geest komen,
die thans alleen in hèm nog als een stroom van allerhoogste
spanning werkt, maar waarvan zij straks allen op het
Pinksterfeest een deel zullen ontvangen. Om dezelfde reden
wil hij voorbijgaan aan de plek, waar de Emmausgangers
inkeeren; zij moeten aandrang oefenen om hem te doen
blijven. Als hun dan in de Breking des Broods, het
hoogheilig sacrament, de oogen open gaan, zoodat zij den
Verrezene herkennen, dan maakt deze zich onzichtbaar, alweer
door zijn wonderlijke pneumatische kracht. En over de zee
gaande als over het vasteland wil hij aan de discipelen
voorbijgaan, omdat hij anders pneumaverlies zou riskeeren.
Marcion las in Gal. 1: 1, dat Christus zichzelf heeft
opgewekt: de pneumatische, hemelsche Christus wekt na drie
dagen den gestorven Lazarus èn den gestorven Christus op.
Wijlen
mijn Utrechtsche ambtgenooten Obbink Sr. en Brouwer hebben
indertijd laten drukken, dat doodenopwekkingen ook nu nog
wel voorkomen. Zij beriepen zich daarbij op de medische
wetenschap van heden. Op grond van dat beroep heb ik toen
navraag gedaan bij verschillende leden van de medische
faculteit te Utrecht: hun waren geen gevallen bekend en zij
haalden hun schouders op over deze theologische wetenschap.
Juist die
opstanding heeft velen tot rationalistische
verkla-ringswijzen verlokt. Ik denk aan Kirsop Lake: de
vrouwen uit het Paaschverhaal komen aan het graf des Heeren
om haar piëteit voor den doode te bewijzen. Zij zijn niet
volkomen zeker van de plaats, waar men den Heer heeft
gelegd. Gelukkig verschijnt een kerkhofemployé, gekleed in
lange witte jas, die haar toeroept: „Hij is niet hier“. Zijn
bedoeling was: „Gij moet iets
47
verder
doorloopen; ik zal U de plaats wel wijzen“. Maar de door de
bittere ervaringen van de laatste week uitermate
geëxalteerde vrouwen geven den man niet eens meer de kans om
deze woorden te zeggen. Door een panischen schrik overvallen,
dien deze vermeende engel haar op het lijf heeft gejaagd,
ijlen zij naar de stad. Daar ontmoeten zij de Apostelen, die
intusschen vizioenen hadden gehad, dat de Heer niet in den
dood was gebleven, maar waarlijk opgestaan: de
Paaschboodschap. Als de vrouwtjes dat hooren, zeggen zij:
een engel op het kerkhof heeft het ons al toegeroepen: „Hij
is niet hier“, en zeker te goeder trouw, maar niettemin uit
de lucht gegrepen, leggen zij den kerkhofknecht bovendien de
Christelijke Paaschboodschap in den mond: „de Heer is
waarlijk opgestaan!“
Wij mogen
om het geval wel even lachen, maar heeft een dergelijke
onwetenschappelijke bijbelverklaring, gevolg van gemis aan
con genialiteit met het evangelieverhaal en product van een
al te nuchtere, platte fantasie, - heeft dit ook niet zijn
bedroevenden kant?
De
evangeliën kennen alleen een Godmensch Jezus; de
mensch Jezus, mensch-alleen is door 18de en 19deëeuwsche
verstandsverlichting op willekeurige, onwetenschappelijke
wijze uit de evangeliën geconstrueerd. Het ontstaan van het
Christendom is nooit verklaarbaar uit leven en werken van
den Jezus der liberale theologie. De vergoddelijking van een
mensch, met wien men heeft gegeten en gedronken en dien men
op deerniswekkende wijze aan zijn einde heeft zien komen, is
grooter wonder dan alle wonderverhalen met elkaar. Object
van het Evangelieverhaal is de Christus, die in den hemel
thuis behoort, aan wien de Christenen gelóóven, en niet
de sterveling Jezus,, dien men zonder reden ten
hemel verheft, terwijl men zijn hemelsche herkomst ontkent.
De kern van het Christendom steekt in de idee van den
Godmensch-Heiland, den Christelijken mysteriegod. Wel heeft
de nadruk, dien de evangeliën op zijn menschheid hebben
gelegd, hem een belangrijken voorsprong gegeven op andere
Heilandsgestalten van het Hellenisme. Historisch vastgelegd
bood het Christusmysterie een houvast en middelpunt voor de
godsdierfstige verbeelding der menigte, een aanschouwelijke
gestalte, die geloof vermocht te wekken. Het
Christusmysterie wordt in den vorm van een gelijkenis aan de
schare
48
verteld.
Maar Christus’ menschheid is ten slotte niet minder een
geloofsartikel dan Christus’ godheid.
Voor den
Christen van heden zijn wonderen niet het belangrijkste van
het Evangelie. Men blijft met wonderen altijd nog in het
zinnelijke steken; bevestiging van geestelijke waarheden
geven zij niet. Het eigenlijke wonder is de Geest.
Men kan
een zekere anti-wonder-stemming ook in het N. T. vinden (Mt.
12 : 38-42, vgl. 16 : 1-4). Schriftgeleerden, Farizeeën,
Sadduceeën verlangen een teeken van Jezus te zien te
krijgen, maar hij weigert het te geven. De waarheid van het
Christendom ligt inderdaad op hooger niveau!
Zullen de
wonderen zekerheid verschaffen, dan moesten ze eerst zelf
zekerheid hebben. Wat door de wonderen moet worden
bekrachtigd is de Idee, maar deze heeft geen wonderen noodig.
Het ware geloof is geestelijk van aard. Wonderen zijn voor
de buitenstaanders, om Jood en heiden te onderrichten, zegt
Hegel, maar heeft zich eenmaal een Christelijke Gemeente
gevormd, dan behoeft deze geen wonderen, want zij heeft den
Geest in zich, die in alle waarheid leidt. Het is een
verdienste van de Verstandsverlichting, dat zij het
wondergeloof te boven is gekomen. Men mag van den mensch
niet verlangen, dat hij dingen gelooft, waaraan hij op
zekeren trap van ontwikkeling niet meer kan gelooven; dit
zou geloof zijn aan een eindigen inhoud. Of bij den
bruiloft te Kana de gasten meer of minder wijn kregen is
volmaakt onverschillig, en het is evenzeer toevallig, of de
verdorde hand van een bepaald persoon werd genezen, want er
loopen millioenen mensenen met verdorde en mismaakte
ledematen rond, die door niemand worden genezen. Het
ongeestelijke kan geen inhoud van het Geloof zijn l.
Het
magische idealisme of de geheime wetenschap der Oudheid had
merkwaardige denkvormen. Het leerde, dat alles in den kosmos
met alles samenhangt; dat het op elkander gelijkende
onderling verband houdt; dat gelijkheid van getal
verwantschap in wezen bewijst; het maakte een overdreven
gebruik van redeneering volgens analogie; namen en getallen
achtte het het wezen der dingen en kende aan intuïtieve
verzekerdheid de hoogste waarde toe. Aan die magische
wereldbeschouwing is
1
Zie Hegel’s „Philosophie der Religion“, ed. Bolland,
S. 184 f., 680.
49
het
menschdom langzamerhand ontgroeid geraakt. De redelijke
momenten er van zijn opgenomen in de idealistische
wijsbegeerte, maar niet zonder veelszins verhelderd en
doordacht te zijn. Het is de reeds door mij geciteerde Max
Dessoir, die in het laatste gedeelte van zijn boek boeiend
over deze dingen schrijft. Hij betreurt het, dat velen van
onze tijdgenooten zich tegen de klaarheid verzetten, dat zij
hun liefde schenken aan een primitiever wereldbeeld, omdat
zij het als iets grondleggends en beslissends aanvoelen. Hun
bewustzijn, dat zij op de een of andere wijze met primaire
opvattingen van het menschdom zijn verbonden, zet zich om in
de overtuiging, dat zij eerwaardige oude waarheden daaraan
hebben; zij stellen maar heel weinig eischen en zijn daarom
blij met onvolgroeide en mismaakte vormen van het idealisme;
bij hun maling aan geestelijke inspanning komen hun dan
leeringen goed te pas, die geen eigen werkzaamheid van het
denken eischen en des te levendiger het geloof aanwakkeren,
naarmate zij dwazer zijn; - enkele van deze geloofsartikelen
zijn werkelijk niet een terugval tot het verleden te
noemen, maar veeleer tot de domheid1.
Voorloopig schijnt mij de wijsheid verkieslijker.
1
Dessoir, A.a.O..
|